Korte archeologische verhalen en feiten uit de prehistorie
Gedurende een periode van ongeveer vijfhonderd jaar raakten er in ons land gebruiken ‘in de mode’ die we toeschrijven aan de Enkelgrafcultuur. Juist in die tijd speelt ons verhaal zich af. Bijna vijfduizend jaar geleden (tussen ongeveer 2900 en 2400 v. Chr.) braken mensen met oude tradities: zij begroeven hun doden niet langer samen, maar individueel. Kort daarvoor bouwde men nog de kolossale, stenen hunebedden waarin een groot deel van de dorpsbevolking werd bijgezet. Dit Trechterbekervolk dankte zijn naam aan heel specifiek aardewerk dat, op een paar uitzonderingen na, vooral in de huidige provincie Drenthe werd gevonden.
In een opvallend korte tijd maakten deze oude gewoonten plaats voor iets nieuws. De typische trechtervorm verdween, en maakte plaats voor een vrij smalle beker: de zogenaamde ‘standvoetbeker.’ Jarenlang noemden archeologen deze periode dan ook de Standvoetbekercultuur (afgekort: EGK). De ‘standvoet’ is een vlakke bodem die als een sokkel is vormgegeven, maar in de loop der eeuwen evolueerde naar een eenvoudige platte bodem.
Experts verdelen deze bekers in vier fasen, gebaseerd op de horizontale banden:
- Fase 1 (de oudste): Touw werd herhaaldelijk in de natte klei gedrukt en om de pot gedraaid.
- Fase 2: Men combineerde het touwmotief met een visgraatpatroon, dat met een spatel werd aangebracht.
- Fase 3: Het touwmotief verdween; alleen het visgraatmotief bleef over.
- Fase 4: Ook het visgraatmotief maakte plaats voor eenvoudige lijntjes en streepjes.
In ons verhaal krijgt Gurt een individueel graf onder een lage heuvel. Wanneer Jandar en Kardaman paaltjes rond het graf zetten om de plek te markeren, verklaren zij daarmee een archeologisch raadsel: de verkleuringen van paalgaten die we nog steeds rond graven uit deze tijd terugvinden. Tegenwoordig vinden archeologen het overigens gepaster om de periode de ‘Enkelgrafcultuur’ te noemen; de manier van begraven zegt immers meer over een cultuur dan alleen het type aardewerk.
De oriëntatie van deze graven was eeuwenlang strikt oost-west. Pas in de slotfase van de Enkelgrafcultuur werd men hierin wat vrijer. Daarvoor was het patroon glashelder: mannen lagen op hun rechterzijde, terwijl vrouwen op hun linkerzijde rustten. Beiden lagen met opgetrokken knieën in een slaaphouding.
De overledenen rustten niet zelden op een houten plank of zachte dekens, soms omringd door houten
planken. Ze kregen giften mee voor hun reis naar het Rijk der doden: een standvoetbeker, een doorboorde strijdhamer, een vuurstenen dolk en soms zelfs — als teken van enorme status — een zeldzaam voorwerp van koper(!).
Hoe het komt dat er in enkele tientallen jaren zo’n revolutie in de mode heeft plaatsgevonden, daarover verschillen archeologen van mening. Vast staat dat stammen uit het huidige Oekraïne en Rusland naar het westen trokken: nomadische veehouders die een aantal belangrijke veranderingen brachten. Zo hadden zij wagens met twee assen, waardoor er meer lading meegenomen kon worden. Het Yamnayavolk, zoals de verzamelnaam voor deze stammen luidt, beschikte over open wielen met spaken, terwijl in onze gebieden een dicht schijfwiel voor de wagens gebruikelijk was.
Om de wagens voort te trekken, beschikte het Yamnayavolk over paarden. Ze hadden het steppepaard gedomesticeerd. Dat was een gigantisch voordeel als je grote afstanden wilde afleggen. In onze streken kende men het getemde paard nog niet. Archeologen zien in het paard als hulpmiddel de voornaamste reden waardoor de Yamnaya-krijgers zo snel konden oprukken.
En hier begint de discrepantie: buiten ons land zijn massagraven gevonden met daarin de skeletten van vooral Trechterbekermannen. Dit weten we door DNA-onderzoek. Hun DNA verdwijnt uit de samenleving, en het DNA van Yamnaya-mannen komt ervoor in de plaats. De vrouwelijke bevolking werd blijkbaar zo veel mogelijk gespaard. Volgens deze theorie nam het Yamnayavolk door een snelle, brute en zeer gewelddadige verovering de macht over, compleet met een nieuwe vorm van aardewerk: de standvoetbekers. Zij vervingen binnen zeer korte tijd het aardewerk van het Trechterbekervolk. Tot zover de aanhangers van een geweldstheorie zonder weerga.
Anderen geloven weliswaar in de komst van het Yamnayavolk, maar zij wijzen op een vreedzaam samenleven. In hunebed D30 (Exloo-Noord) zijn standvoetbekers gevonden, wat zou kunnen wijzen op een samengaan van twee culturen. Dit hunebed is echter een uitzondering; in de andere hunebedden komen geen complete potten van de Enkelgrafcultuur voor. In hunebed D26 (Drouwenerveld) komen vuursteen en aardewerkscherven voor die toegeschreven worden aan de Enkelgrafcultuur (EGK); hetzelfde geldt voor de hunebedden D20/D21 (Borger), D10 (Gasteren) en D8 (Kniphorsterbos-Annen).
Sporen van massagraven en geweld ontbreken in ons land. Dat betekent niet dat ze er niet zijn geweest; de conservering van vergankelijk materiaal is op de zandgronden nu eenmaal zeer slecht. DNA-monsters uit Nederland kennen we dan ook niet. Ook bewijzen voor een wagen met spakenwielen zijn in ons land niet gevonden; al deze gegevens komen uit onder andere Duitsland, Polen en Denemarken. ‘Kunnen we zomaar archeologisch bewijs uit het buitenland projecteren op de samenleving hier te lande?’ Je merkt het: de archeologen zijn er nog niet over uit.
Met de komst van het Yamnayavolk veranderde het grafritueel volkomen. Een individueel graf met een lage heuvel erover werd nu de mode. In het Russisch betekent Yamnaya ‘put’ of ‘kuil’, wat een verwijzing is naar het kuilgraf onder een heuvel.
In de laatste fase van de Trechterbekercultuur vonden echter al een paar uitvindingen plaats die grote gevolgen zouden hebben. Ten eerste vond men het wiel uit, waardoor grote hoeveelheden materiaal op wagens vervoerd konden worden. In Nederland zijn diverse houten wagenwielen teruggevonden, meestal in het veen. Door de uitvinding van het juk konden ossen gebruikt worden als trekdieren. De volgende grote uitvinding was het eergetouw.
Een soort ploeg, waarmee men uitstekend in staat was om een ondiepe gleuf door de grond te trekken. Hierdoor werd het mogelijk om een stuk land intensiever te gebruiken. Deze uitvindingen kwamen pas echt tot bloei in de eerste fase van de Enkelgrafcultuur en maakten van de samenleving een voornamelijk agrarische samenleving.
Van het type boerderij ten tijde van de Enkelgrafcultuur weten we helaas niet zo veel. De laatste jaren zijn er in Noord-Holland een paar huizenplattegronden opgegraven, maar deze zijn slecht herkenbaar. Deels is dit te verklaren uit het feit dat de boerderijen een lichte constructie hadden; de dragende palen werden niet diep in de grond gegraven. Paalkuilen zijn dan ook zeer sporadisch te vinden, en op de zandgrond ontbreken ze zelfs helemaal. Daar vinden archeologen slechts het aardewerk en de graven. Mede door latere landbouwmethoden zijn de boerderijplattegronden op de zandgronden geheel verdwenen.
Wat kunnen we zeggen over de sporen die in de rest van Nederland gevonden worden? Over het algemeen zijn het kleine boerderijtjes van ongeveer twaalf meter lang en vijf meter breed. Ze zijn tweeschepig, wat wil zeggen dat het binnenste van de boerderij door een rij palen in tweeën was gedeeld. Deze palen liepen door tot de nok van de boerderij, die maximaal vijf meter hoog moet zijn geweest. Onze kennis van de Enkelgrafcultuur is groot, maar ze is zeker voor uitbreiding vatbaar. Mogelijkerwijs zal de komende jaren een deel van de ontbrekende antwoorden gevonden worden.
