Nieuws oktober 2025
Website vernieuwd / heringericht
Ik kon al die verhalen niet meer kwijt. Mijn laatste reis naar Portugal is daar een mooi voorbeeld van. In “Nieuws van de Verteller”, deed ik verslag van mooie, indrukwekkende relieken uit het verleden. Hieronder staan ze nog. Oordeelt u zelf, ze zijn eigenlijk te lang voor een (kort) nieuws item.
Hetzelfde geldt voor verhalen over archeologische vondsten gedaan door mij of door anderen. Ze verdienen een prominentere plek op deze website.
En dat hebben ze gekregen. Het linker menu is, inclusief mijn geliefde Nemrud, voor hen gereserveerd.
Patton, de tank onder de generaals
Daar ligt hij dan, eenzaam maar niet alleen, bedekt met graszoden, afgeschermd door een ketting,
omgeven aan weerszijde door een haag, tegen een kale muur, voorzien van een simpel wit kruis.
Het graf van de door de Nazi’s meest gevreesde Geallieerde generaal George S.(Smith) Patton op de Luxemburg American Cemetery and Memorial in Hamm. Sectie P. rij 1, graf 1.
Precies zo als hij gewild had, begraven voor zijn gedode strijdmakkers alsof hij ze ook nu nog aanvoert.
George Patton werd in 1885 geboren, wanneer de kinderen in ons land het feest van St. Maarten vieren is het precies 140 jaar geleden.
In zijn latere leven was hij de man die Amerikaanse tankbataljons heeft opgebouwd, toen de Tweede
Wereldoorlog uitbrak werd hij hun commandant. Het derde legerkorps kwam onder zijn leiding. Meest bekend werd hij (en zijn manschappen) door in Marokko de Duitse linies te doorbreken, op Sicilië -uit onvrede met het aanvalsplan van o.a. Montgomey- zijn eigen weg te volgen en zodoende de Duitsers op de vlucht slaand, in Normandië -waar de strijd in een impasse was geraakt- met zijn tanks uit te breken en een ongekend snelle opmars van 1000 km te forceren. Tijdens het Ardennen offensief was hij het die het Amerikaanse leger bij Bastogne ontzette. Geen wonder dat de Nazi’s hem het meest vreesden.
Zijn Engelse tegenpool Montgomery noemde hem een -probeert u de Engelse vertaling uit te spreken door de mond van deze snobistische generaal- getalenteerde maar roekeloze commandant. Te impulsief en onnodige risico’s nemend, showman met twee colts 45 voorzien van ivoren handvaten aan zijn zijde en vloektaal sprekend.
Patton was op zijn beurt niet te spreken over Monty en noemde hem een bekwame verdedigende commandant, traag en voorzichtig, te veel met publiciteit bezig, zelf ingenomen en arrogant.
Tja, zelfs mensen die een gemeenschappelijk doel nastreven kunnen elkaar soms niet luchten of zien. De tweespalt tussen hun beiden begon met de acties van Patton op Sicilië.
De commandant van de Geallieerde strijdkrachten -Eisenhower- noemde Patton de ideale vechtmachine, alleen zijn naam al joeg zijn vijanden de stuipen op het lijf.
Ik geloof dat dit misschien wel de beste omschrijving van het karakter van de begraven held -want dat is hij- is, want op de mens is wel het een en ander aan te merken (op wie niet trouwens). Zo schoffeerde hij enkele soldaten in een veldhospitaal. Zij leden aan shellshock. Aanstellers en lafaards waren ze! Gevolg: ontheven van zijn bevelvoering, later weer aangenomen omdat de vechtjas op het strijdtoneel onontbeerlijk was. Maar het typeert hem. Toch liepen de soldaten met hem weg, hij stond garant voor succes.
Toen de oorlog was afgelopen verzocht Patton de strijd tegen de Japanners te mogen voortzetten. Vanwege de botsende karakters met MacArthur -opperbevelhebber in de Stille Oceaan- werd dit geweigerd. Patton werd teruggeroepen naar de VS.
Een dag voor zijn vertrek uit Europa werd de auto waarin hij vervoerd werd, aangereden door een truck. Patton overleed op 21 december 1945 in een hospitaal en niet op het slachtveld zoals hij gewild had.
Met deze bijdrage eindigt mijn geschiedkundige reis door Europa. Terug naar de steentjes in Nederland! Weer zin in!!
Kasteel van Guédelon – Oud maar toch nieuw
U heeft een tijdje niets van me gehoord. Een stille verteller, dat klopt niet! Zins mijn laatste bijdrage heb ik van alles beleefd, maar niet iets wat past op deze website. Fietsen in Portugal, te vergeefse bezoeken aan opgravingen en 1400 kilometer reizen, nauwelijks interessant te noemen, voor u dan.
Maar vandaag, echt een top dag! Ik sta zo’n 200 km onder Parijs, op de experimentele bouwplaats van Guédelon. Ik “ontdekte” het kasteel een aantal jaren geleden via een documentaire op Arte om vervolgens de bouw ervan nauwlettend in de gaten te houden. Ze is namelijk een modern kasteel, vandaag de dag gebouwd met behulp van technieken uit de dertiende eeuw. Behalve de moderne (verplichte) veiligheidsschoenen en (soms) helmen valt er op de bouwplaats niets 21e eeuws te ontdekken.
In Nederland zijn de burchten niet zo alom aanwezig als hier in Frankrijk. Toch zijn er vele vragen omtrent
de bouw ervan, het gebruik van materialen en de logistieke organisatie van het geheel. Sinds 1997 is men aan het bouwen geslagen. Naast het kasteel ontstond een heel (13e eeuws) dorp van ambachtslieden. Tegenwoordig kunt u er rondlopen en krijgt u bij de diverse disciplines uitleg. Gelukkig wordt op het terrein diverse bouwstoffen gevonden anders valt aan moderne transportmiddelen niet te ontkomen. Zo is er bij de krijtgroeve een kalkoven te vinden -onmisbaar voor de bouw- alsmede een steengroeve en een kleiput. Pottenbakkers, steenhouwers, timmerlieden, touwslagers, metselaars, mandenvlechters, wagenwielmakers en smeden, zij allen waren aan het werk. Met de minuut verhoogde mijn toch al goede stemming. Nog nooit zag ik zoveel kunde bijeen. En alles ten behoeve van de bouw van het kasteel. Fantastisch, mensen die leven met hun passie en ondertussen een bekwaamheid hebbende waar je U tegen zegt. Daar kan ik echt van genieten! De meeste tijd heb ik
doorgebracht bij de timmerlieden van Guédelon, zij waren een enorme (4m) hoge deur aan het in elkaar zetten. De laatste spant, ik weet het niet anders te noemen, moest passen, maar het hout werkte een beetje tegen. Met behulp van touwen werden de buitenste dikke palen naar elkaar toegetrokken. Een langdurig en precies werk dat uiteindelijk tot mijn en hun genoegen volkomen lukte. Een applaus van de Verteller van het Oude werd met een glimlach in ontvangst genomen.
Voor dat ik het vergeet. Het kasteel! Op het oog bijna af, bij nadere beschouwing is er nog voor jaren werk. Een burcht is natuurlijk ook om in te wonen. Het vertrek van de leenheer -compleet met gemak- ziet er nu al prachtig uit, een rondgang langs de kantelen is iets waar ik als jongetje altijd van droomde, verscholen met mijn boog de vijand opwachtend en de aanval af slaand. Ruim zestig jaar later liep ik er dan, glimlachend en uitkijkend op de binnenplaats en de activiteiten in het dorp. Middeleeuwse tv zullen we maar zeggen, één zender en dat is meer dan genoeg.
Hoog boven alles steekt de tredmolen uit -u weet wel, het hijswerktuig in de Middelleeuwen- helaas
vandaag niet in werking. Wat had ik dat graag gezien. Vroeger moet dat het summum van techniek zijn geweest. Ik vind het nog steeds majestueus! Stelt u zich voor, zware blokken of klaargemaakte houtconstructies werden zo naar boven getakeld.
Guédelon was zeker een plek geweest waar ik had kunnen werken, wat moet dat geweldig zijn. Iets creëren wat nog eeuwen staat en voor u om te bezoeken. Een dag waard!
Op een gegeven moment zal het kasteel van Guédelon klaar zijn, en wat dan? Bij mijn vertrek schoot het door mij heen. Gaat dan de kennis weer verloren? Bah, ik moet er niet aan denken! Maar zo zal het gaan, Guédelon gaat ook de geschiedenis in. Gelukkig zijn de documentaires er nog, bekijkt u ze eens op het internet. U zult net als ik versteld staan!
Anta do Estanque – modern hergebruik van een Dolmen
Rondzwervend in de buurt van S. Geraldo werd ik door iemand attent gemaakt op de Anta do Estanque,
dat zou nog eens wat speciaals zijn. Vol verwachting vertrok ik naar het kleine plaatsje, gelegen in het hart van Portugal. Bij de plaatselijke basisschool (!) de auto parkeren en vervolgens de borden volgen. Het verbaasde me al dit ik in het midden van het dorp moest zijn. Volgens het laatste bord moest ze zich hier bevinden. Op de grote open vlakte was echter niets te zien, een paar lokale mensen zaten achter hun kop koffie mijn verrichtingen gade te slaan. In mijn beste Portugees vroeg ik
naar de anta. Blijkbaar is mijn beheersing van de taal toch niet zo goed, pas na de vierde keer verstonden ze me. Ooh, Anta! De vingers wezen op een positie achter me. Eerst zag ik haar niet, ze lag op een positie die ik nooit van mijn levensdagen had verwacht. Tegen een huis aan, sterker nog, ze vormde onderdeel van het huis. Bij nadere beschouwing bleek dat de achterste draagstenen onderdeel uitmaakten
van de fundamenten van het huis. Amper bekomen van mijn verbazing ging ik op onderzoek uit. De zeven (!) draagstenen stonden -evenals de deksteen- nog op hun originele plaats. De grafkamer was nog intact, maar het gehele voorportaal was verdwenen. Tussen de draagstenen zaten nog de originele
stopstenen. Iets wat ik nog niet al te vaak ben tegengekomen in Portugal. Maar voor de rest is het natuurlijk een archeologisch wrak. Is de eigenaar van het huis een liefhebber van de geschiedenis van zijn land? Vast niet, vermoedelijk lag de anta op het grondstuk dat hij had aangekocht voor de bouw van zijn huis. Weghalen mocht niet van de regering, dus dan maar zo optimaal de grond gebruiken.
Tegen de anta ligt een moderne wasteil en in de grafruimte spelen de kinderen. Hergebruik van het monument, maar dan niet zoals de oorspronkelijke bouwers het bedoeld hadden.
Zo moet het dus niet!!!
Cromeleque dos Almendres – Ik ben het er gewoon niet mee eens!
Vandaag in een ongelooflijke wereld terecht gekomen. In de buurt van Evora (Portugal) ligt een constellatie van twee steencirkels.
Het was wederom slechts 100 kilometer rijden, geen problemen of andere gekkigheden. Nee, soepeltjes begon het, eenmaal in de buurt van het monument werden de wegen slechter en smaller. Eerst nog even
een bezoekje gebracht aan het kleine, koele en leuke informatiecentrum, waarna de 4,5 kilometer durende safari begon. Een weg die leek op een rivierbedding -vanwege de zandkuilen en de scherpe rotsen-, voerde Willem en mij naar de steencirkels. Af en toe een tegemoet komende auto, rijdend met een slakkengang en een wirwar van stof en stenen de lucht in schietend.
Tot mijn grote blijdschap liepen er nauwelijks mensen rond. Bovenop een steile heuvel ontwaarden zich grote menhirs. Staand in een grote cirkel keken ze me rustgevend aan. Alleen de vogels en de krekels maakten geluid. U moet zich voorstellen; we staan in de verzengende hitte in een
omgeving waar nu rubberbomen en dennen staan. Denk ze allemaal maar weg, 7000 jaar geleden stonden ze er niet. Op de top van de heuvel staan zoals eerder vermeld grote menhirs in een cirkel (de eerste), daarna volgt steil bergafwaarts de tweede. Er aan vastgeplakt zogezegd. De menhirs hiervan worden steeds kleiner, uiteindelijk sluiten ze de cirkel -eigenlijk meer een ovaal- af.
Helaas, nergens informatie! Duidelijk een tekortkoming bij zo’n prachtig monument.
U moet het dan maar met mij doen. Hier in Portugal beweren ze dat het zou gaan om twee verschillende steencirkels.
Cromeleque dos Almendres toont enorme gelijkenissen met de steencirkels in Normandië. Nog steeds doet men daar archeologisch onderzoek, men weet er al heel veel meer dan hier in Portugal. Steenwegen, nederzettingssporen en begraafplaatsen zijn daar in of rondom diverse steencirkels gevonden. Dat onderzoek moet hier nog plaats vinden.
Een cirkel binnen een grotere steencirkel komt in Frankrijk ook voor. Franse archeologen beweren dat
waar de grote menhirs staan, het een plek voor offerandes was. Daartoe heeft men een altaar nodig. Laat die nu hier ook binnen de eerste cirkel liggen! Niet als zodanig beschreven, maar voor mij onmiskenbaar. Ik ben dan ook van mening dat beiden steencirkels bij elkaar horen. Een religieus centrum en een observatorium. In het midden van de kleinere cirkel staan drie grote menhirs, trek een lijn door en u komt -1,4 km verder- bij het volgende monument. Een alleenstaand menhir! Een erg grote, viereneenhalve meter hoog. Tijdens de zonnewende komt de zon precies achter de eerder
genoemde lijn op. Vanwege haar vorm en de bewerkte top wordt de menhir gezien als een vruchtbaarheidssymbool, aangeraakt door velen – niet door mij – ter verbetering van de potentie of de wens om zwanger te worden. Indrukwekkend is hij in ieder geval, evenals de klim er naar toe. Je moet er wat voor over hebben, nietwaar?!
Ook sommige menhirs van de steencirkels zijn bewerkt. Ik heb duidelijke cirkels
kunnen waarnemen op enkele ervan. Petrogliefen in vaktaal. Bovendien zitten op vier exemplaren cupmarks. Napjesstenen zouden we in Drenthe zeggen. Vaak geassocieerd met het bereiden van voedsel of medicijnen. Dat is hier op twee meter hoogte een beetje moeilijk. Ze zijn ook niet eerder aangebracht, want ze liggen op de top en lopen loodrecht naar beneden.
Veel is onduidelijk over Cromeleque dos Almendres, maar de rust die ze uitstraalt is in ieder geval Goddelijk!
Anta Pinheiro dos Abracos, hunebed, maar dan ouder!
Grappig hier die namen. Vertaald: Hunebed van de pijnboom omhelzing. Eens stond bovenop de Anta
een enorme pijnboom. Zeven mensen moesten elkaars armen vastpakken om de boom te kunnen omhelzen. Heden ten dage is er geen pijnboom op het monument meer te bekennen. Allemaal gekapt, ze brachten aanzienlijke schade aan, de wortels schijnen ook een aantal draagstenen te hebben vernietigd.
Hoe het ook is, tegenwoordig sjeest een twee meter man op een blauw fietsje er in volle snelheid aan voorbij om even later van de andere kant de 15 % helling hijgend en puffend te beklimmen. Enigszins mopperend op zichzelf, “Doe toch eens rustig!”, hoort u stilletjes.
Maar de aanblik van de zoveelste anta maakte alles goed, ze ligt er -ondanks de eerder genoemde beschadigingen- nog super bij.
U kijkt direct in de gang welke toegang geeft tot de grafkamer. Ze is meer dan zeven meter lang. Alleen het paar draagstenen voor de tombe heeft een deksteen, de rest is verdwenen. U kunt zich niet
bedwingen -ik poneer mijn gedrag op u-, een onweerstaanbaar gevoel maakt zich van u meester. U wilt naar binnen. Aankomend in de grafkamer overvalt u een zekere teleurstelling, de stralende blauwe hemel schijnt in volle heftigheid op uw hoofd. Ook hier zijn de dekstenen (waarschijnlijk maar één hele grote!) verdwenen.
Wat maakt deze anta dan zo speciaal om hier op de website te vermelden. Ten eerste is de dekheuvel nog aanwezig, de randen daarvan zijn nog niet onderzocht. Dit terwijl ze niet zoals de meeste anta’s al in de 19e eeuw opgegraven is maar pas in 1965. De grafkamer
bevatte 50 versierde (waaronder trechterbeker aardewerk) en onversierde potten! Vele geslepen bijlen, messen en pijlpunten kwamen tevoorschijn, alsmede diverse kralen.
De vroegste datering van het aardewerk geeft een ingebruikname van 6000 geleden. Zo’n duizend jaar eerder dan de Drentse hunebedden!
Tegenwoordig zijn nog maar vijf van de draagstenen behorende tot de grafkamer aanwezig. Meestal is de dodenkamer omgeven door zeven dragers. Blijkbaar had het getal zeven iets
magisch, geen idee, maar opvallend is het wel. Hier zijn het acht geweest, merkwaardig toch.
Een koperen pijlpunt bracht de archeologen tot de conclusie dat het grafmonument in een latere periode hergebruikt is. Na mijn mening hoeft dat niet, gebruik van koper is in de laatste fase van de trechterbeker cultuur niet onmogelijk.
Terwijl u binnen zit en de storm met bijbehorende regen over zich heen laat komen, wil ik toch een foto met u delen. Het laat zien onder welke helse omstandigheden de “Verteller van het Oude” zijn verslagje voor u schrijft. Om medelijden te krijgen!
Conímbriga – een overdaad aan mozaïeken!
Het zou de best bewaarde Romeinse stad van Portugal zijn. Zoiets triggerd! Ritje van niks, nog geen 15 kilometer, een schroef op de weg gooide lucht in the air. Wederom een gelukje, een paar honderd meter verder was een banden bedrijfje. De eigenaar lachte om mijn bezorgdheid, fluitje van een cent. Gebeurt regelmatig in Portugal. Band eraf, schroef eruit, plug erin, opblazen en weer gaan. Ik kon niet afzien hoe snel het ging! Grote opluchting, maar met enige bedenkingen zette ik de tocht voort.
Conímbriga is in 139 v. Chr. door de Romeinen veroverd, onmiddellijk begonnen ze de stad om te
bouwen na Romeins voorbeeld. Compleet met thermen, amfitheater, tempels, forum, huizenblokken etc.. Ergens eind derde eeuw, toen het Romeinse Rijk ten onder dreigde te gaan, werden er geen halve maatregelen getroffen, hele wijken werden afgebroken en hun stenen werden gebruikt voor het bouwen van de hoogste stadsmuur die ooit gezien heb. Op sommige plaatsen meer dan acht meter!! De fundamenten van de huizen bleven bewaard. In 468 raakt Conímbriga in verval en werd ze verlaten. De stad lag in een moeilijk toegankelijk gebied, omgeven door hoge rotsen en diepe dalen. Ze raakte in vergetelheid, werd overwoekerd, slechts de stadsmuur stak hier en daar nog boven de aarde uit.
Wat eens een prachtige stad moet zijn geweest ligt er nu verzengend in de zon bij. Bijna geen schaduwplekje te bekennen, en overal de weerkaatsing van de zon op de restanten. Maar prachtig is ze!
Imposant is de stadsmuur, een allesoverheersend element. De vloeren en fundamenten van de afgebroken huizen ten behoeve van haar, geven heden ten dage haar schitterende mozaïeken prijs. Hoeveel ik er gefotografeerd heb? Ik ben de tel kwijt geraakt. Ze zijn niet van dezelfde kwaliteit als in Pompeï, maar toch! Complete muurschilderingen werden in deze begraven en verwoeste stad alleen in brokstukken aangetroffen. Wie weet in de toekomst, slechts 20% van haar geschiedenis is volgens de archeologen ontdaan van hun beschermende laag. Op een plek waar ik weer eens een keer niet mocht komen, was men net begonnen een necropolis op te graven. De bijbehorende vondsten doen voor de toekomst veel beloven.
Neemt u voldoende water mee, beschermende kleding etc., de Verteller van het Oude heeft er een kleine
zonnesteek opgelopen waarvan ik nu nog hinder ondervind en daardoor genoodzaakt ben mijn activiteiten op een iets lager pitje te zetten.
Opvallend vind ik dat de mozaïeken heden ten dage blootgesteld zijn aan weer en wind. De kleuren zijn best al vervaagd. Hopelijk wordt dit proces een halt toegeroepen.
Er valt veel te zien en te bewonderen, de eerder genoemde opsomming treft u er allemaal aan. Welvarend is ze geweest, zonder twijfel! Best bewaard? Afgaande op het aantal mozaïeken en de imposante verdedigingsmuur, zou het antwoord bevestigend kunnen zijn. Maar het is hier overal zo archeologisch mooi! Oordeelt u liever zelf.
En Willem (inmiddels Willem III), hij -met mij achter het stuur is het een mannetje- snort er weer over. Dankbaar voor alle aandacht en zorg. Alleen snakt hij naar een wasbeurt, na ik begreep kan hij die op dit moment in Nederland gratis krijgen!
Troia – gesloten, geweigerd, weggestuurd, binnen geslopen en heel aardig ontvangen
Zit je in Turkije? Ik zou me die vraag kunnen voorstellen. Nee, ten zuiden van Setubal (bij Lissabon), over het water, op wat nu een schiereiland is. Maar in de Romeinse tijd was het echt een eiland, vol met activiteiten en van belang voor Rome. Maar voor dat ik geschiedkundig uitweid, eerst even mijn eigen belevenissen (mag ik trouwens graag doen als ze goed aflopen).
Het verhaal van gisteren -ook niet onaardig trouwens- houdt u nog even tegoed, gisteren geen puf meer, uitgedroogd, uitgehongerd en moe!
Volkomen uitgerust en in opperbeste stemming -hetgeen altijd het geval is als er iets moois wacht-, vertrok ik niet al te vroeg. Vandaag maar 300 km en voornamelijk over snelwegen. Drie uurtjes later stond ik dan ook voor het toegangshek van Troia, In Romeinse tijd de belangrijkste leverancier van visproducten aan de stad Rome. Nergens ter wereld -want er zijn meer productieplaatsen geweest- zijn de visbassins bewaard gebleven. Sterker nog, nergens, laten we het bij Europa houden, zijn er aanwijzingen van dien aard zoals we ze hier in Troia aantreffen. Daar moest ik heen, ik had er voor deze reis nog nooit over gehoord of gelezen.
De poort zat dicht, het slot half open. Volgens mijn informatie ging ze na de siësta -tot 14.30 uur- weer open. Helaas, een kwartier na het middagdutje kwam er nog niemand opdagen. Tijd is tijd, ik heb de poort maar zelf open gedaan. Twee kilometer met Willem -voor niet ingewijden; mijn VW-kampeerbusje- stof happen om vervolgens aangehouden te worden door een man in uniform. Druk gebarend en scheldend (althans zo hoorde het) beduidde hij dat ik moest opzouten (woordspeling voor de rest van het verhaal). Even kreeg ik de neiging het gaspedaal in te drukken, toen overwon mijn rijkelijk verstand. Terwijl ik de stoffige terugweg aanvaarde, accepteerden mijn hersenen deze nederlaag niet. In een zijpaadje de auto verdekt opgesteld, rugzak en water gepakt. De bewaker niet meer aangetroffen -hij zal zijn succes wel aan het vieren zijn 😊- tot aan de omheining van het park gelopen en gepoogd een toegang te vinden. En dat alles in de volle zon, 35 graden. Terwijl ik de eerste halve liter water naar binnen goot, hoorde ik achter mij een stem. Ze was van de archeologie die toezicht op het park hield. Ze was bijzonder hartelijk en begripvol voor mijn diepe wens de site te willen zien. Helaas was met ingang van oktober het winterseizoen begonnen en werden bezoekers geweerd. Voor mij maakte ze graag een
uitzondering en zo kwam het dat ik alleen op deze prachtige site kon rondlopen. Zeer tot genoegen van alle vliegen die te vergeefs op de toeristen wachten.
Tien procent van de site is nog maar opgegraven, voor de rest ontbreekt het aan geld. Maar wat er te zien is, daar valt u mond van open!
In Romeinse tijd werd de op zee gevangen vis zo snel als de wind het toeliet naar Troia gebracht. Daar werd de vis -al naar gelang de grootte- opgeslagen in diverse bassins. Er werd een enorme hoeveelheid zout aan toegevoegd. Als het ging om gezouten vis dan was ze na een paar weken in een zoutbak gereed voor transport. Echter de Romeinen waren ook dol op sauzen, een product waar ik
van gruwel. Vis en zout wordt, als men het maar lang genoeg laat liggen, vanzelf saus. Fermenteren zogezegd. De dunne saus had al snel een bereidingstijd van een paar maanden nodig. In de bassins waren roosters geplaats waardoor de saus in een vat druppelde. Garum! In Pompeï kwam ik graffiti tegen met reclame voor deze garum. Nu had je ook een dikkere soort, lijkt het meest op vispasta, de hallec.
Hier in Troia kwam ik tientallen bassins tegen, grote en kleine, diepe (4m) en minder diep. Volgens de archeologe hadden ze nog niet de helft van alle productieplaatsen opgegraven. Vlak naast de -stinkende- bassins lagen de thermen. Na het werk zo had bad in! Ik kan me het zo voorstellen.
De arbeiders stierven er natuurlijk ook. Eenvoudige graven waren hun deel, dit jaar was er echter een graf
gevonden -ver verwijderd van de productieplekken- van een rijke dame. Haar grafgiften waren navenant. Volgens de archeologe -ze vertelde graag over haar werk- betrof het een vrouw van over de negentig jaar.
Huizen zijn er slechts een paar onderzocht. Met name in de 19e eeuw en dan ook nog door de toentertijd a.s. koningin van Portugal, Maria.
Even terug naar het goddelijk eten. De saus werd in amforen per schip naar Rome en andere gebieden binnen het Romeinse Rijk vervoerd. Een delicatesse uit Troia.
Waarom die naam zult u zich misschien afvragen? Ik weet het niet, vergeten te vragen. De stad uit de eerste helft van de tweede eeuw zou genoemd kunnen zijn naar het haar illustere naamgenoot in Klein-Azië.
Op de terugweg was de poort dicht, Willem en ik stonden opgesloten. Misschien schaterde de bewaker van het lachen, thuis, achter een glaasje Port.
Nieuws september 2025
Er zijn van die dagen ….
dat heel veel tegenzit. Vandaag was zo’n dag, terwijl ik nog wel zo opgewekt vanaf mijn kleine kampeerplaats vertrok. Onderweg even heerlijke broodjes gescoord, avondeten geregeld, TomTom ingesteld en rijdend door de prachtige Portugese binnenlanden. Wat wil een mens nog meer!
Ik was nog geen tien kilometer op pad toen de navigatie het liet afweten, niet getreurd, dan maar de telefoon gepakt. Geen verbinding! Dat heb je hier in Portugal om de haverklap in de binnenlanden. De dekking valt regelmatig weg, behalve op de grotere wegen. Toen de navigatie het uiteindelijk weer deed, bleek ik de verkeerde kant te zijn opgestuurd.
Normaal zou ik heb zitten te balen als een stekker, ware het niet dat ik in een klein stadje, Bobadela, ineens geconfronteerd werd met twee pilaren voorzien van een boog. Je hoefde geen kenner te zijn om te zien dat deze uit de Romeinse tijd stamden. Er omheen lagen resten van andere pilaren en Romeinse steenblokken. Natuurlijk was mijn interesse onmiddellijk gewekt. In de muur van de kerk kon ik lezen aan wie het bouwwerk (vml. een tempel) gewijd was. Twee Welgestelde Romeinse burgers en aan de god Neptunus.
De boog vormde vroeger de oostelijke ingang tot het Forum, een deel van de oude straat is nog steeds
te zien. In de pilaren zitten een paar gaten, uitgehouwen aan weerszijden, waar de forfex (metalen haak die werd gebruikt om de zware blokken op te tillen ten tijde van de bouw van het monument) was bevestigd. De uiteinden van deze robuuste “tang” vielen samen met de twee kleine gaatjes. Door de druk die de forfex op de gaten uitoefende, konden de granieten blokken op de juiste plaats worden geplaatst. Hijsgaten, die later met mortel dichtgesmeerd waren en door de tands des tijds er weer zo uit zien als tijdens de bouw.
Dit had ik allemaal niet gezien als de navigatie het niet had laten afweten, het bijbehorende museum was gesloten -ik tref het wat dat betreft ook niet-, maar daarachter lag een van de mooiste amfitheaters die ik
ooit heb gezien. Stammend uit de 1e eeuw en in gebruik tot de 4e eeuw. Het werd gebouwd als een elliptische arena, met een noord-zuid oriëntatie, voorzien van een dikke grindvloer. De podiummuur die de arena omringde, werd gemarkeerd door twee ingangen op de hoofdas en bestond uit rijen granieten blokken en bekroond door een tweedelige kroonlijst. De vulling van de cavea (ondergrondse cellen), ongeveer 15 meter breed, maakte waar mogelijk gebruik van de rots en daarop lagen houten banken. Dat moet voor de gladiatoren niet genoeglijk zijn geweest, in de brandende zon af te moeten wachten tot je aan de beurt bent, niet wetende of de volgende dag net zo zonnig zou zijn.
U kunt het hele amfitheater doorlopen. Zelfs in de loge box zitten, als belangrijk Romeins heerschap.
Er was niemand, behalve uw Verteller.
Voor vandaag stond een andere Romeinse stad op het programma, ik ben er nooit gekomen. Zestien kilometer voor het eindpunt liet mijn VW-bus (Willem) me in de steek. Een gebroken aandrijfriem. Tja, en dan gaat niets meer behalve de helling afrollen en bij een garage tot stilstand komen. En dat was zweten kan ik u wel vertellen en niet alleen vanwege de 29 graden. Helaas kan de garage er nog niet mee aan de gang. Het goede nieuws is dat ik op mijn fietsje morgen alles kan bereiken en dat ik nu op een heerlijke, air conditioneerde hotelkamer zit. Met dank aan de reisverzekering.
Anta da Pedra da Orca, een draak van een dolmen
Ik wilde even een dag je niet schrijven, even rust net als u de trouwe lezers van mijn website. Maar het zit er niet in, althans voor mij. In struikel hier in Portugal over de (pre)historie, weg rust, ik moet het zien! Dan maar vermoeid terug in Nederland, ik krijg spijt als ik niet alles wat voor mijn neus komt bekijk!
Gelukkig heb ik in Nederland een selectie van bezienswaardigheden gemaakt, anders ben ik over een jaar nog niet terug.
Als ruggensteun gebruik ik het boek van Hendrik Gommer, “Mythische stenen”, samen met zijn vrouw
trekt hij sinds 2015 langs duizenden hunebedden in Europa. Aan bovengenoemd dolmen hebben beiden weinig aandacht besteed, terwijl ik erbij stond te smullen (is wat netter dan kwijlen).
Laat ik eerst eens met de naam beginnen. Het viel mij op dat meerdere dolmen de naam Orca dragen, in het Galicisch verwijst het naar een mythologisch figuur, meestal een draak. Anta betekent niets anders dan muur, terwijl Pedra refereert naar steen. Een stenen muur dus, die lijkt op een draak.
Kijkend naar de dolmen, dan moet de ingang de staart zijn en de grafkamer de kop. Ik vind de naam, stammend uit de vorige eeuw, nog niet zo slecht gekozen. Klink toch anders dan hunebed D12 bij die nuchtere Drenten.
Anta da Pedra da Orca ligt verlaten, een smoezelige parkeerplaats en een dito huis vormen haar enige gezelschap. Gelegen op een heuvel in het veld is de in 1895 opgegraven dolmen, van verre te zien. Gelukkig maar want het enige wat aan haar bestaan herinnert is een verroest bord langs de weg.
Ik voel me niet vaak klein, als grote man van twee meter heb je daar nu eenmaal weinig last van. Maar hier val ik in het niet. Wat is ze hoog, 3 meter! De enorme stenen plaat die de grafkamer afdekt is meer dan 3,5 meter breed en wordt gedragen door drie forse draagstenen. Oorspronkelijk waren dat er waarschijnlijk vier, maar eentje is schuin weggezakt. Rondom de grafkamer staan inclusief de dragers
zeven stenen. In een later hoofdstuk kom ik daar op terug.
De dekstenen over de ingang (naar het oosten gericht) ontbreken, daar staat tegenover dat een deel van de dekheuvel nog aanwezig is. Archeologisch onderzoek betekende hier -net als in Nederland trouwens- dat we vaak alleen het geraamte nog zien. Ze dateert uit het eind van het Neolithicum . Men heeft dat kunnen vaststellen aan de hand van de vondsten in de grafkamer. Pijlpunten van kwarts -door de granieten stenen lopen ook kwartsaders-, kralen, aardewerk fragmenten en menselijke botten.
Zeg nu zelf, is ze geen schatje? Daar kun je toch niet aan voorbij rijden!
Côa Valley, een dal met pas ontdekte dierlijke afbeeldingen
Het doel van mijn reis was deze omgeving. Gelegen in Portugal, vlak over de grens met Spanje. Urenlang reed ik door een oneindig leeg landschap, glooiende wegen, verdorde bomen en grassen, af en toe een geblakend gedeelte vanwege de recente bosbranden. Bijna niemand op de weg, om slaperig van te worden. Gelukkig zo nu en dan een laagte naar een stuwmeer, hele scherpe haarspeld bochten en niet
harder dan 40 kilometer er doorheen. Laat in de middag zaten mijn 600 kilometer erop en kon ik mijn auto parkeren naast het museum. Op dat moment begon het te stormen en te regenen. Dat laatste was hier in heel wat maanden niet meer gebeurd. Opgewekte gezichten rondom mij.
In 1994 wilde de Portugese regering er een stuwmeer aanleggen. Niets ongewoon in deze streken waar altijd een te kort aan water is. Terwijl het werk in volle gang was ontdekten arbeiders tekens op diverse rotsen. Dieren; geiten en steenbokken, oerossen, wolharige neushoorns, paarden en edelherten en een enkele vis. Allemaal mogelijke voedselbronnen voor onze voorouders. De ingegraveerde afbeeldingen zorgden voor opschudding in de omgeving. Men zag er de belangwekkendheid van in en een potentiële boost voor de toeristen industrie. De partij die beloofde de bouw van de dam stop te zetten won de verkiezing. Daadwerkelijk werd de dam niet afgebouwd! Helaas
was er in eerdere jaren al een kleine dam gebouwd, waardoor het peil van de rivier de Côa al twaalf meter hoger lag. Ik vertel u dit verhaal omdat ze voor de rest van mijn ontdekkingstocht door dit gebied van belang is. Maar zover zijn we nog niet, eerst moest de storm en regen afzwakken. Tijd genoeg om het museum te bezoeken. Het spijt me om te zeggen, maar het architectonisch bekroonde gebouw werd een afknapper. Ik had er mooie replica’s verwacht, helaas op enorme betonblokken komen de tekeningen niet tot hun recht. Weinig vondsten werden getoond, nadat ik later begreep zijn er geen grotten met bewoning ontdekt. De enorme ruimtes zijn karig gevuld, de voltallige collectie van het Drents Museum -inclusief depot- zou er makkelijk in passen. Eén hele mooie nagebouwde wand toonde een wirwar aan dier afbeelding. Door middel van een druk op knop kan men het “verlichte” dier bekijken.
Die nacht stond ik op de parkeerplaats van het museum geparkeerd, getergd door regen en stormwinden. Beste lezers, het komt uw kant op! Maak alles maar vast rondom uw huis! 
De volgende ochtend vertrok ik met een gids naar de afbeeldingen die gelukkig nog steeds in situ staan. Het was maar goed dat hij erbij was. Ik was langs menig voorstelling gelopen. Op elke rots -althans de gegraveerden- staan meerdere afbeeldingen door elkaar. Wat daar de reden van is weet men niet. Mogelijk een afbakening van een territorium, mogelijk de cyclus van het dierlijk leven voorstellend, mogelijk op diverse tijdstippen gemaakt. De meesten zijn tussen 10.000 en 22.000 jaar oud. De stijl is hetzelfde, met pecking techniek gegraveerde afbeeldingen. Naast één van de afbeeldingen is een dierlijk bot gevonden. Het enige in de omgeving, 18.000 jaar oud! De slechts ingekraste afbeeldingen worden een stuk ouder ingeschat, 40.000 jaar. Ze zijn door hun techniek een stuk minder waar te nemen. U merkt het, hier valt nog veel te ontdekken, dit jaar nog zijn er weer nieuwe afbeeldingen waar genomen. Maar wederom geen spoor van menselijke bewoning. Was het een cultplek in de prehistorie? Het wachten is op verder onderzoek en ontdekkingen.
Ondertussen geniet u van het uitzicht en flinke beklimmingen alsof u in de voetsporen van de prehistorische mens loopt. Onder u kabbelt de rivier de Côa rustig door, alsof er in duizenden jaren niets veranderd is. Behalve dan dat haar waterpeil 12 meter hoger is en ze vele kunstuitingen tot in lengte van dagen beschermd.
Altamira, even mooi als geheimzinnig
Het had zomaar weer een droom van me kunnen zijn, een prehistorische grot ontdekken met mijn dochter. Zowel het eerste als het tweede heeft helaas niet zo mogen zijn. Het overkwam in 1879 Sautuola en zijn dochter Maria wel! De welgestelde boer uit de omgeving had een brede interesse in de historie van zijn woonomgeving. Hij verzamelde altijd al artefacten, maar het was pas tijdens de wereldtentoonstelling in Parijs (1878) dat hij voor het eerst kennismaakte met artefacten en kunst uit Franse grotten. In de vaste overtuiging dat deze bij hem in de buurt ook te vinden waren, toog hij
huiswaarts. Een jaar later was het al raak. Een spleet in de rotsen werd groter gemaakt en de kleine Maria kroop naar binnen, in het schijnsel van het licht zag ze stieren op de wand. Sautuola begon direct -zo ging dat in die tijd- met opgraven en ontdekte diverse artefacten.
Tot zover de ontdekking. De mijne was veel minder avontuurlijk, een blauw fietsje, geel hesje en een helm, steile heuvels en veel gepuf. De tour de France is een beetje veel gevraagd, maar de ronde van Spanje kan ik inmiddels aan. Gespierde kuiten en gewend aan het voortrazend verkeer.
Het eerste wat ik zag was een betonnen gebouw, groot en lelijk. Weinig architectuur, twee horizontaal uitstekende betonnen panelen. Plotseling verdween mijn aanvankelijke scepsis. Het gebouw doet sterk denken aan een grot met overhangende delen. Eigenlijk best wel passend. Oordeelt u zelf!
“U bent nog geen 65, hè”, sprak de vriendelijk lachende kassière. Nadat ik haar uitvoerig bedankt had voor het compliment, toonde ik haar mijn paspoort. “Ooh”, met een blos op haar wangen -vrijheid van de schrijver- mocht ik daarna gratis naar binnen. De dag begon goed!
Binnenin hoefde ik maar tien minuten te wachten voordat ik de grot met de schilderingen binnen mocht. Het bezoekers aantal ligt hier lang niet zo hoog als in Lascaux. Samen met een klein groepje liet ik me verrassen. In de grote hal aanschouwde ik veel kleurrijke bizons aan het plafond. Zorgvuldig de welvingen van de rotsen volgend. Herten in overvloed, allen ingekleurd. De eerste schilderingen
dateren van 40.000 jaar geleden. Hun silhouet is dan alleen met houtskool omtrokken. Modern aangelegde paden -net als Lascaux is de echte grot dicht en is dit een reproductie- voeren u langs de verschillende figuren. Ook hier weer een paar opvallende zaken. Mysterieuze wezens, gecomponeerd uit diverse bestaande dierlijke elementen en de wederom -al even geheimzinnige- merkwaardige tekens op de wand. Ik zie er mogelijkerwijs een plattegrond in, maar men weet er de betekenis niet van.
Als ik een plaatje in een boek zie van de bizons zijn ze altijd heel sterk van kleur, zelfs een beetje paars. Prachtig uitgelicht en met een geweldig apparaat geschoten. In werkelijkheid zijn ze iets fletser, mijn plaatjes zijn zonder flits geschoten en met een simpel telefoon toestel.
In het museum verder natuurlijk aandacht voor de vondsten, een prachtige film over de grot en haar bewoning door de eeuwen heen, ze eindigt met de ontdekking door Maria en haar vader.
We zijn er nog niet. Buiten gaat de tour verder. Het was nog niet zo laat, het weer schitterend en ik in een opperbeste stemming slenterend door de mooie omgeving. Plotseling stond ik voor een expositiehuis. Geen toerist te bekennen, de dames binnen blij eindelijk iemand te zien. Tot mijn verrassing ging de tentoonstelling over Göbeklitepe, een mysterieus heiligdom in het Zuidoosten van Turkije en dat hoog op mijn lijstje staat. Oude zwart-wit foto’s die mij uitnodigden snel langs te komen.
Naast de tentoonstellingsruimte ligt de oorspronkelijke ingang van Altamira. Ontdaan van haar vroegere schoonheid, achter een hek en voorzien van beton en een zware ijzeren deur. Geen toerist te vinden, behalve ik dan. Een plaats die u zeker moet bezoeken, dichter bij de oorsprong van het gebied kunt u niet komen!
Op u weg naar de uitgang passeert u nog zo’n hekwerk. Niet zo lang geleden werd hier nog een grot gevonden. Bezaaid met menselijke beenderen en grafgiften. Uit de Bronstijd!
Ik ben ervan overtuigd dat er nog veel meer te ontdekken valt hier in de streek. Misschien wel als u er met uw dochter rondwandelt!
Kunst in de prehistorie
Helaas blijft in de Nederlandse aarde bijna geen vergankelijk materiaal bewaard. Wij mogen al blij zijn met een doorboord steentje of kraaltje. Mijn eerste opgraving was in Vledderveen, een heropening van een eerdere opgraving. De projectleider -Jaap Beuker- heeft er in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1996 een alleraardigst artikel over geschreven. Hij beschrijft het oudste doorboorde sieraad van Drenthe, een groot stuk rode oker in de vorm van (bijna) een hart.
Ik heb altijd met enige jalousie gekeken naar het buitenland. De mooiste kunstuitingen komen er voor. Mens en dierfiguren op wanden, in hout en op bot. Bij het helaas gestopte Museum Technische werken in Groningen kocht ik een aantal jaren geleden een groot aantal replica’s van Europa’s mooiste kunstproducten.
Maar vandaag zou ik een (heleboel) echte aanschouwen. En ik moet u zeggen; “Het was een feestje!” In het Musée National de Préhistoire, aan de Rue du Musée 1 te Les Eyzies vond ik de bizon die aan zijn zijde likt. Gevonden in de abri de la Madeleine en daterend ergens tussen 20.000 en 12.000 voor Chr. Het
is het versierde gedeelte van een speerwerper. U weet wel, een stok die gebruikt werd om een speer veel verder te werpen dan een mens normaal gesproken kan doen. Ze is gemaakt van rendier gewei en meet 10,5 centimeter. Het lijkt alsof de bizon een kriebelende vlieg(en) van zijn zijde wil verjagen. De kunstenaar (!) heeft het dier in zijn beweging getroffen. Een waar meesterwerk.
Ik dacht altijd dat de bizon de enige in zijn soort was. De vitrine was echter gevuld met meerdere exemplaren, allen net niet zo mooi als mijn lievelingswerk, maar toch zeer de moeite waard om te aanschouwen. Dat geldt voor het hele museum, fantastisch. Hier houd ik van, volle vitrines, ontelbare artefacten gerangschikt op functie en op vindplaats. Zo vindt u bijvoorbeeld alle vondsten van
een bepaalde grotopgraving bijeengebracht. Diverse thema’s komen aan de orde waaronder “kunstuitingen”. Honderden bewerkte objecten, maar geen één zo mooi als “mijn” bizon!
Puntje van kritiek, ik blijf tenslotte Nederlander, de verlichting kan veel beter en het sterk weerspiegelend glas maakt het maken van een scherpe foto onmogelijk.
Onvergetelijke dag!
En waar blijft je verhaal over de grot van Roufuignac? Ze bleek definitief gesloten te zijn, één dag voor mijn aankomst!! Merde!
Record aantal bezoekers website
Nog ruim drie maand te gaan in dit jaar, aan het aantal bezoekers van mijn website zou je het niet zeggen. Nadat vorig jaar voor het eerst meer dan 15.000 bezoeken werden geregistreerd, had ik niet kunnen vermoeden (hopen) dit enorme aantal nog eens een keer te overtreffen. Maar toch is het
gebeurd! Het maakt me trots, tegelijkertijd nederig en vastbesloten verder te gaan schrijven over mijn archeologische ontdekkingsreizen. Eerlijk is eerlijk, dank zij uw en mijn interesse is het schrijven erover een feestje! Dank voor uw bezoek(en)!!!
De Verteller van het Oude is een gelukkig en dankbaar mens!
Abri(nk) – fermé, closed., Geschlossen, gesloten, open
We kennen allemaal wel het woord abri. Ze isi is een halfopen, grotendeels glazen wachthuisje dat bescherming biedt bij bus- of tramhaltes en stations, maar ook een formaat is voor buitenreclame. Het woord komt van het Franse werkwoord abriter, wat ‘beschutten’ betekent. Abri’s zijn vaak voorzien van lichtbakken om posters in te tonen, en de reclame-inkomsten dragen bij aan de kosten en het onderhoud ervan. (AI-verklaring)
In de prehistorie is ze een overhangend deel van een rots, ook een soort bushokje zo u wilt, maar dan zonder de vervuilende weggebruikers. Bedoeld om te schuilen, wonen en als jagerskampement. Vaak moeilijk te bereiken, dus een perfecte schuilplaats en uitkijkpost. Laten we voor het gemak de holeleeuwen en beren even wegdenken, deze hielden van dezelfde schuilplaatsen als de mens. Menig conflict zal tussen onze voorouders en de gevaarlijkste dieren uit die tijd zijn uitgevochten. De abri’s zijn meestal gericht op het zuiden, lekker lang zon op de verwarmende rotsen.
Ik zit in het mekka van de prehistorische grotten en abri’s, in de Périgord, een streek ten oosten van Bordeaux. Na gisteren Lascaux bezocht te hebben wilde ik vandaag op abri-jacht.
De eerste, na een zware klimtocht, was dicht. Niet getreurd, op weg naar de volgende, wegens restauratiewerkzaamheden gesloten tot nader orde. De stemming begon al iets te zakken, maar het was nog vroeg op de dag en de abri’s liggen niet zo ver uit elkaar. Niet allemaal zijn ze toegankelijk, begrijpelijk. Maar ik zou toch tenminste één bezoeken, dat stond vast. Inmiddels zijn we bij abri zeven en acht. Deze waren open, alleen niet op dinsdag! Dan maar op zoek naar een museum, ook gesloten. U raadt het al: dinsdag! De enige die open was en het woord Prehistorie in het Frans groot op voorgevel had laten schilderen, is geen bezoek of vermelding waard.
Dan maar weer terug naar de grotten. Een archeologische vriend -trouwens net Nederlands Kampioen vuistbijlen slaan!- raadde me de grot van Roufuignac aan. Hier zouden mammoeten en neushoorns zijn afgebeeld. U raadt het alweer aan mijn schrijfwijze: dicht op dinsdag! Maar hier kom ik morgen zeker terug, het voorportaal dat direct een eind naar beneden liep, was al spectaculair genoeg.
De stemming was inmiddels behoorlijk gezakt, het was al later in de middag. Dus op zoek naar een camping om voor u een stukje te typen. Zo maar ergens staan wordt hier niet getolereerd. Jammer, want
de tour door het gebied was schitterend, mooie vergezichten, kleine weggetjes door dichtbeboste streken etc.. Het seizoen voor de campings is blijkbaar voorbij. Vier, door mij bezocht, waren dicht.
Onverwachts werd de dag positief afgesloten. Ik passeerde “Les grottes du Roc De Cazelle”, de overhangende rotsen vielen van verre op. En ze was open! In de prehistorie hebben hier mensen gewoond, gebivakkeerd. Niet alleen in de oudheid, zelfs tot 1966!! In een woning uitgehouwen in de rotsen. U kunt een prachtige wandeling maken door de
geschiedenis, langs scenes uit het leven van de Homo Erectus, de Neanderthaler en de Homo Sapiens. Fantastisch geïntegreerd in de omgeving. Tegenwoordig heel groen, in vervlogen tijden was de vegetatie wat minder. Een kleine opsomming van de thema’s: wonen, jagen, eten, steenbewerken, verzamelen, geboorte en dood, schilderen en nog veel meer. Aandacht voor de dierenwereld is natuurlijk ook. Overal wordt u beloerd door de toenmalige wilde dieren.
Zeker de moeite waard om een kijkje te nemen.
Ten slotte een wijze les van A (ten) Bri(nk): neem uw rustdag op dinsdag!
Lascaux, een gedeeltelijk succes!
Als jongetje van een jaar of tien fantaseerde hoe ik met vier Franse vrienden op zoek was naar (mijn?) een hondje. Na vergeefs een paar dagen gezocht te hebben, hoorden we in de verte een geblaf. Vanuit een
gat klonk een opgelucht geluid, blij om gevonden te worden. De rakker! We moesten alleen de opening waardoor het beestje naar binnen was gekropen groter maken, zelfs voor ons kleine mannekes was de kruipruimte te klein. Eénmaal binnen ontvouwde zich een magisch tafereel in het schijnsel van het licht. Wanden vol met kleurrijke dieren! De story is waar, met uitzondering van mijn deelname! Het verhaal van de meester had blijkbaar mijn fantasie geprikkeld.
De ontdekking vond plaats in 1940, Frankrijk was bezet en de vondst vormde enig goed nieuws in barre tijd.
Na jaren van openstelling voor het publiek -de grot was 20.000 jaar hermetisch afgesloten geweest- bracht zuurstof en zweet schade aan het geheel toe. Kort daarop werd besloten een replica van een gedeelte van de grot te bouwen. Inmiddels zijn we toe aan Lascaux IV, minutieus nageschilderd met dezelfde tinten. Een enorm bezoekers centrum is bovenop gebouwd.
En daar stond ik dan vanochtend. Vol verwachting en geïmponeerd door het kollossale gebouw. Abrupt onderbroken door hordes schoolkinderen en pensionado’s. Zo was het in mijn droom niet geweest!
Aan de kassa kocht ik een ticket (€22,-) waarop de toegangstijd vermeld stond. Vijfenveertig minuten wachten en daarna met een groep van 50 personen naar binnen. Gruwel, gruwel en nog eens gruwel!!
Toen ik eindelijk door een moderne deur de nagebouwde grot binnenging, viel ik stil van verbazing. Nog nooit zulke mooie uitingen van onze voorouders gezien!
Prachtige paarden -allen met dikke buiken-, stoere en onverzettelijke oerossen -allen en profiel weergegeven-, herten met enorme geweien en geheimzinnige tekens waarvan de archeologen denken dat ze bedoeld zijn om te communiceren.
Het is natuurlijk een nep grot, maar dan wel één van een ongelooflijke kwaliteit. Binnenin vergeet u dat u in een replica staat. Maar ongestoord door de nauwe gangen van de grot lopen kunt u vergeten. Daarvoor is het bezoekersaantal te groot en vormt ze een bron -althans bij mij- van ergernis. Hoe zal het hier in de zomervakantie zijn geweest?
Blij dat ik het gezien en bewonderd heb, voor een eerste indruk van de kunst van onze directe voorouders is ze een must.
Hopelijk beleef ik mijn droom nog eens.

Oradour Sur Glane – De auto wacht nog steeds op de dokter!
12.00 uur: op 10 juni 1944 wordt het dorpje Oradour sur Glane omsingelt door de 2e SS panzer division “Das Reich”. Een regiment van deze divisie (Der Führer) vocht in de meidagen op de Grebbeberg. Daar maakte ze zich schuldig aan diverse oorlogsmisdaden. In Frankrijk (ongeveer 300 km ten zuiden van Tours) zouden deze fanaten wederom op een gruwelijke manier van zich doen laten spreken.
De bewoners van Oradour moesten zich op het marktplein verzamelen. Zogenaamd om hun identiteit te controleren. De mannen en de vrouwen werden van elkaar gescheiden.
16.00 uur: op diverse plaatsen in het dorp worden de mannen met machinegeweren van het leven beroofd!
17.00 uur: de vrouwen en kinderen worden in de kerk opgesloten. De SS-ers plaatsen kisten met brandbaar materiaal rondom de kerk. De lonten worden aangestoken, een
verstikkende rook dringt de kerk binnen. Vrouwen proberen te ontsnappen, maar worden neergemaaid door machinegeweren. Terug naar de kerk! De rook beneemt het inademen van verse lucht. Alle vrouwen, behalve Marguerite Rouffarche -zij weet te ontsnappen- en kinderen komen om. De jongste is slechts 8 dagen oud!
Kille cijfers: 642 mensen vinden op die dag de dood. Zes overleven het bloedbad, voor het leven getekend door verschrikkelijke herinneringen.
Aanleiding: er zijn twee versies. Het verzet had een spoorbrug opgeblazen waarbij twee hoge Duitse officieren het leven lieten. De tweede beweert dat er officieren door het verzet waren ontvoerd. De SS ging opzoek.
Vernietiging: van hoger hand werd bepaald dat het dorp onbewoonbaar gemaakt moest worden en de inwoners als voorbeeld terechtgesteld. Vee werd meegenomen en de huizen opgeblazen.
Na de oorlog: de Franse regering bepaalde dat het dorp eruit moest blijven zien zoals het door de SS
werd achtergelaten. Een monument ter herinnering en tegelijkertijd een waarschuwing voor fascisme.
Vandaag: bezocht ik Oradour. Het was er druk, ook veel Nederlanders die net als ik benieuwd waren naar het dorpje waar de tijd 81 jaar stil heeft gestaan. Eind van het jaar kan het voorlopig niet meer. Er vind op grote schaal restauratie plaats. Veel van de gebouwen -de meesten zonder dak- doorstaan anders de elementen niet lang meer. Het bezoekerscentrum was helaas al gesloten, lopend door de verwoeste straten overviel me een zeldzame rust en tegelijkertijd een gevoel van medelijden met de slachtoffers. De bakker, het dorpscafé, de garage, etc.. Al deze gelegenheden staan er nog, een plakkaat van plexiglas herinnert aan de
bewoners. De verwoesting is compleet, de huizen zijn ruïnes. De fietsen en auto’s, het gereedschap, resten van potten en pannen, de keukenovens etc., staan er nog, verroest en half vergaan. Treurig staat, de banden vergaan en de carrosserie verroest, midden op het plein de auto van de dokter. De man die normaal gesproken mensen beter maakt behoort nu tot de omgebrachten. Zijn auto is zijn grafmonument!
Meest aangrijpend zijn de muren langs de boerderijen, dit zijn de plekken waar de mannelijke bewoners doodgeschoten zijn, maar ook de kerk. Wat een drama heeft zich daar afgespeeld. De stilte onder de bezoekers is veelzeggend!
Inmiddels is een eindje verderop het nieuwe Oradour gebouwd. Tegenwoordig telt ze zo’n 2500 inwoners. De Franse regering verordonneerde dat de bewoners ervan in het zwart gekleed moesten gaan. Of dat tegenwoordig nog het geval is, weet ik niet.
Veroordeling: Je zou toch denken dat de plegers -opdrachtgevers en plegers- er niet ongestraft van af zouden komen. Slechts een enkeling is veroordeeld. De grootste beulen ontkwamen hun straf en leefden tot in de 21e eeuw. Waarom? Diverse factoren, maar een weigering tot uitlevering van de Duitse regering is toch wel het meest schrijnend!!
De Verteller van het Oude begrijpt het niet, misdadigers bescherm je niet, je veroordeelt ze!
Le Grand-Pressigny, betoverend vuursteen
Ik ben zo’n 950 kilometer van huis in een van de beroemdste vuursteen gebieden van Europa. Als vuursteenmannetje -zoeker en bewerker- moest het er eens van komen. De omgeving van het plaatsje Le Grand Pressigny (naamgever aan het vuursteen) is mooi, rustiek en uitgestorven. Geen barst te beleven, het lijkt wel of alle toeristen ineens -zie mijn vorige bijdragen- van de aardbodem zijn verdwenen. Nee, geen plek waar ik mijn vakantie langdurig zou willen doorbrengen. Een prachtige, lege camping van de gemeente -eerste dag staan is gratis!- vormt mijn thuisbasis.
O
p het hoogste punt van het dorp ligt een 12e eeuws kasteel, het bewaart één van de mooiste collectie vuursteen. Als echte Nederlander trof ik het bijzonder, het was open monumentendag in Frankrijk en daarom was de toegang gratis. Ze herbergt op drie verschillende etages prachtige vondsten uit de streek, het museum is met de tijd meegegaan. Op de bovenste verdieping gaat het “om de beleving”, u weet wel, een korte reis door de historie. Ik ben er geen fan van, ik wil zo veel mogelijk vondsten zien. Daarvoor moet u naar de kelder. Ik zit dit stukje nog kwijlend te typen van alles wat ik daar gezien heb. Enorme hoeveelheden livre de beurre, gigantische klingen (meer dan 50 cm!), prachtige dolken en bijlen. Allen zo’n 5000 jaar oud en gemaakt van de typische licht bruine, met af en toe witte vlekjes, vuursteen. Voor diegene die niet helemaal thuis is in deze materie; een livre de beurre is een kern, waarvan met behulp van een bepaalde techniek (levallois) lange, dunne, beetje gebogen klingen werden afgeslagen. Die dan weer bewerkt werden tot een mes. De dikkere afslagen gebruikte men voor het maken van bijlen en dolken.
Deze luxe voorwerpen werden naar verre streken verhandeld. Zo ook naar mijn provincie, Drenthe! Eén van deze prestige objecten werd gevonden in een grafheuvel (De Ketenberg ?) te Eext. De vindplaats van de dolk in Buinen is me niet bekend.
Ook niet veel zult u zeggen, dat is waar. We hebben het hier wel over voorwerpen die waarschijnlijk alleen de elite kon bemachtigen.
Mocht u nu geïnspireerd raken en eens een keertje in deze streek willen zoeken naar artefacten, dan moet ik u dat afraden. Hordes “steentjeszoekers” zijn u voorgegaan, en dat is nu juist het probleem. Boeren willen niet meer dat hun land betreden wordt! Laat ze ook lekker liggen, ze horen in Frankrijk.
Hoewel, de Verteller van het Oude niet weet of hij een vijftig centimeter lange kling wel kan laten liggen!
Op stap met Obelix (3) Ergernis van de Verteller van het Oude
Een Fransman beweerde bij hoog en bij laag dat niet de rijen met menhirs de mooiste monumenten van Carnac zijn, maar dat die eer aan de tumulus van St-Michel toekomt. Ik had haar in de verte al zien liggen, ze steekt majestueus boven het landschap uit en vormt een richtpunt voor alle toeristen -zoals ik- die weer eens hopeloos verdwaald zijn.
Ik had er zin in, opgetogen stapte ik op het onmisbare fietsje en toog erheen. Even een paar feitjes; de tumulus is 125 m lang, 65 m breed aan de basis en 16 m breed aan de top, ze heeft een hoogte van 12 m. Geen kleine jongen -of dame-, zult u zeggen.
In 1862 werd met de eerste opgraving begonnen, vanaf de top gaten boren om te kijken of zich ergens een grafkamer bevond. Twee jaar later werd deze inderdaad ontdekt, de verstevigde muur -rondom de tumulus aanwezig en ervoor zorgend dat er geen aarde en stenen naar beneden kon vallen- werd doorbroken en een grafkamer blootgelegd. Een centrale grafkamer met diverse zijkamers. Prachtige voorwerpen werden aangetroffen, diverse bijlen en waardevolle kralensnoeren alsmede menselijke en dierlijke resten. In de 20e eeuw werd een andere ingang ontdekt. Van twee zijden kon men dus dit belangrijke graf bezoeken. Ze zal zeker zijn opengesteld, de gestorvenen -mannen of vrouwen(?)- moeten van een hogere klasse zijn geweest. Immers voor wie wordt anders zo’n enorm monument gebouwd.
Laat ik zo langzamerhand toekomen aan mijn ergernis. Tweehonderd jaar geleden ging het om schatgraven, ik kan het niet anders zeggen. De structuur van de heuvel is verstoord. Zo erg dat er beton ingezet moest worden in de grafkamer, op de vloer en in het plafond om instorting te voorkomen. Toeristen -waaronder ikzelf- klimmen nog steeds de heuvel op, daarmede nog meer schade veroorzakend. Mea culpa!
Maar daarmede zijn we er nog niet mee. Sinds 1700 bouwen Christenen er een kerkje. Ja, bovenop de heuvel. Inmiddels drie keer verwoest door geweld. En het staat nu weer op instorten. Ze verzakt elk jaar iets. Wie bouwt er nu op zo’n monument een zwaar belastend gebouw? De kerk had overal kunnen staan, maar nee, het moest goed te zien zijn. Andere tijden, ik weet het wel, maar bouwen op een “heidens” monument is toch wel hoogst ongebruikelijk. Christenen boven de heidenen (?). Wat ook de beweegreden moge zijn, het gebouw zorgt voor extra druk op de grafkamer. Vroeger misschien niet zo
erg vanwege de intacte heuvel, maar nu hoogst onwenselijk.
De kerk kan men niet meer in. De centimeters brede scheuren in de buiten muren duiden op instortingsgevaar. Sinds 1999 is ook de grafkamer dicht. In de tussentijd is er niets aan restauratie gebeurd, de zwaartekracht haar werk laten doen. Als het zo doorgaat zal de tumulus van St. Michel weldra onherstelbaar beschadigd worden.
Ze is niet het mooiste monument in de streek naar mijn mening, maar wel het meest zorgelijke.
Op stap met Obelix (2) Het land van de Menhirs
De hoofdstad van het Neolithicum wordt Carnac in Bretagne wel genoemd. Een vleugje overdreven als u het mij een maand geleden gevraagd had. Na vandaag denk ik er wel een beetje anders over. Ik had voor mijzelf een fietstocht uitgestippeld langs kenmerkende Neolitische hoogtepunten, daarbij geholpen door een toeristische kaart met daarop Menhirs, rijen van megalieten, grafheuvels en dolmen. Vooral naar deze laatste was ik benieuwd. In mijn geest bestaat ze uit vier staanders en daar bovenop een grote zware
deksteen om de grafkamer af te sluiten. Hier in Frankrijk is ze de benaming voor allerlei soorten Neolitische stenen graven. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik een hunebed tegenkwam -overigens is een dolmen, grafkamer in Eext, volgens de Nederlandse indeling ook een hunebed-, genaamd “Dolmen du Mané Brazil. Voor de aparte benaming heb ik geen verklaring kunnen vinden. Een kort stuk gang is bewaard gebleven. Net als de grafkamer. Deze meet bij benadering 3m bij 2,5 meter en was oorspronkelijk voorzien van drie dekstenen welke hedentendage spoorloos zijn. In 1850 is ze al opgegraven, zestien jaar later heeft een oude bekende van de Drenten haar getekend en topografisch vastgelegd. Ik heb het over William Lukis, de man heeft samen met zijn maatje Dreyden van 1 t/m 22 juli 1878 ongeveer 40 hunebedden in Drenthe bezocht en gedocumenteerd. Over de beide mannen kocht ik een aantal jaren geleden een prachtig, door Wijnand van der Sanden geschreven, boek; “In het spoor van Lukis en Dreyden”. Anders had ik nooit van hem gehoord. Verrassend dat één van hen hier ook werkzaamheden heeft verricht. De vondsten uit het hunebed -ik blijf het toch zo noemen- liggen in het museum van Carnac, iets voor morgen!
Ik heb vandaag zo’n 10 dolmen bezocht, allen voor mij hunebedden. De meesten waren ingetekend door Lukis. Ik begrijp nu ook waarom de man zo nieuwsgierig was naar de Drentse graven. Hij was op zoek naar overeenkomsten, begrijpelijk omdat de afstand tussen Carnac en Drenthe zo’n 1000 km bedraagt.
Ik wil u nog één door hem gecartografeerde hunebed niet onthouden. Die van de Roch-Feutet. Acht grote draagstenen met daar bovenop twee dekstenen. Ervoor een korte gang, die oorspronkelijk langer moet zijn geweest. Drie draagstenen en een deksteen vormen de lage ingang. De dekheuvel is nog goed zichtbaar. Ze staat op het hoogste punt in de omgeving, van verre zijn haar imposante stenen zichtbaar. Tijdens de opgraving in de 19e eeuw zijn fragmenten van een gepolijste bijl, 2 pijlpunten met vleugels, keramiek (fragmenten van versierde bekeraardewerk) en gecremeerde botten (3 menselijke tanden, paardentanden) gevonden.
Het voert een beetje te ver om alle bezochte graven en menhirs hier op te sommen. De reus van Le Manio springt er echter uit. Deze grootste menhir van Carnac en omgeving -meer dan 6,5 meter hoog- mag zich verheugen op veel belangstelling. Menhirs werden vaak opgericht bij graven. Er zijn er hier vier gevonden. Aan de voet van de menhir lagen vijf, geslepen stenen bijlen en er zijn slangen onderin de reus gegraveerd. Tegenwoordig moet men op gepaste afstand blijven, de massa’s toeristen en vandalen hebben voor de stabiliteit niet veel goeds gedaan. De top doet denken aan een hoofd, vandaar de naam. Waarschijnlijk heeft de bliksem een rol gespeeld bij het vormen ervan.
Even voorbij de reus begint een overweldigende hoeveelheid aan uitgelijnde menhirs. Hier in Carnac liggen er zo’n 3000 verdeeld over drie van elkaar gescheiden concentraties. De grootste is die van Le
Ménec. Twaalfhonderd menhirs verdeeld over twee velden en gegroepeerd in 11 rijen. De kleinste menhirs (0,9m) bevinden zich (altijd) aan de oostzijde, de circa 3 meter hoge aan de westzijde. Hier hebben de archeologen ook de resten van een nederzetting gevonden. Echter niet in alle drie de concentraties. Door één loopt een stenen weg, maar verder is er binnen de uitlijning geen menselijke activiteit aangetroffen. Waarvoor ze diende? Men weet het niet exact. Vermoedelijk een religieuze betekenis, te meer omdat er altaarstenen tussen de grootste menhirs zijn aangetroffen.
Gedurende mijn 25 kilometer lange fietstocht heb ik meer graven gezien dan waar ook ter wereld. Ik zit dit verhaal dan ook te typen terwijl ik nog zwaar onder de indruk van al het aangeschouwde ben.
Puntje van kritiek: de bewegwijzering kan veel beter en bij de kleinere monumenten (m.n. de dolmen) ontbreekt elke informatie.
Ik blijf hier nog een dagje langer!!
Op stap met Obelix (1) De kennismaking
In de voorbereiding op deze reis had ik al het een en ander gelezen over de megalieten van Carnac. Ze was immers volop in het nieuws vanwege de toelating tot de Wereld Erfgoedlijst van UNESCO. Maar dat was niet de reden waarom ik hier naar toe ben gegaan. Ik wilde de enorme rijen met opgestelde menhirs zo wie zo eens gezien hebben.
Mijn geest kon niet begrijpen dat de prehistorische mens zoveel moeite stak in het kilometers lange, rijen breed, opstellen van deze zware -ook nog eens bewerkte- stenen.
Ik sta in het plaatsje Ménec, voor twee dagen gereserveerd op een camping (Kerabus), op vijfhonderd meters van de menhirs.
Hier staan over een afstand van vier kilometer ruim 3000 van deze stenen opgesteld. Op plaatjes gemaakt met een drone, ziet het er allemaal redelijk overzichtelijk uit. Maar op de grond is een ander verhaal. De rijen zijn duidelijk minder zichtbaar en de afstand is moeilijk in te schatten. Je eigen richting vinden is niet zo moeilijk, de megalieten staan perfect oost-west uitgericht. De menhirs in het oosten zijn kleiner dan in het westen, waar ze “steenvast” (hihihi) eindigen in een cirkel van grote menhirs.
Volgens de stem in mijn koptelefoon was dat vanwege het feit dat alleen Druïden het daar aanwezige heiligdom mochten betreden en andere gelovigen er buiten moesten blijven. Ben benieuwd hoe zij aan die wijsheid komt. U hoort het goed, mijn koptelefoon! Bij het zien van zoveel indrukwekkends -10 minuten nadat ik op de camping was gearriveerd- sloeg me de schrik om het hart. Wat zijn er hier veel monumenten! En waar liggen ze allemaal? Per jaar bezoeken 500.000 belangstellenden de monumenten, genoeg om een bloeiende toeristenindustrie op te zetten. Een uur lang toeren met een treintje voor €8,- langs de bijzondere plaatsen. Helaas eerst drie kwartier door de stad en verhalen over de drumband en de jachthaven aan te moeten horen, voordat het echt interessant
werd. Kunt u zich voorstellen; de Verteller van het Oude geheel onder de indruk, zwijgend achterin een overvol toeristentreintje. Niet kunnen vertrouwend op zijn kennis van het gebied en totaal overweldigd.
Dit is zo’n beetje het uitgangspunt voor morgen. Dan wordt het elektrisch aangedreven stalen ros gepakt en zullen de eerste lacunes in mijn brein gevuld zijn. O ja, mijn populaire titel heeft eigenlijk niets uit de staan met de monumenten. Het klinkt wel leuk en Obelix droeg (smeet) tenslotte ook menhirs. Alleen 5000 jaar later! Men neemt namelijk aan dat de monumenten tussen 5000 en 3000 v. Chr. gebouwd zijn.
Ik heb maar snel een boek gekocht, vanavond doorlezen en morgen gedegen voorbereid op pad.
“Mijn D-Day” (5) A walk on the beach
Langzaam zakken mijn voeten weg in het zand. Lopend langs de vloedlijn, speurend naar fossielen en mooie stenen gaan mijn gedachten terug in de tijd. Eenentachtig jaar om precies te zijn. Zwaar bepakte
jonge mannen en één oudere met slechts een pistool en wandelstok haastten zich over het strand, wanhopig en moedig proberend de op hen afgeschoten projectielen te ontwijken.
Een paar uur later stap ik het kleine museum, op 300 meter afstand van Camping Omaha-Beach binnen. Het is het zoveelste museum, ik heb er eigenlijk wel een beetje genoeg van. Al dat oorlogstuig, overal prachtig opgesteld, bijzondere wapens en persoonlijke items. Ik heb het wel gezien. De man achter de kassa overtuigde me, ze hadden een buitengewone film, met een virtuele realiteit (VR) bril waardoor ik 360 graden rond kon kijken en een koptelefoon op voor het geluid. Gezeten in een hangar, uitgerust met spullen uit de jaren ’40, op een
stoel uit die tijd begon de tien minuten durende movie over D-Day. Na afloop heb ik nog zeker een kwartier sprakeloos in de comfortabele stoel gezeten. Zo dicht bij de oorlogsrealiteit ben ik nog nooit gekomen. Midden in de gevechten met alle bijhorende geluiden -wind, golven, kanon gebulder, rondvliegende kogels en stervende mannen- en nog in kleur ook.
Middels dit stukje wil ik u op de hoogte stellen van mijn indrukwekkendste ervaringen op de Beaches.
In de buurt van Ouistreham vindt u een monument voor de gevallen Britse soldaten tijdens de landing en de strijd om Normandië. Ongeveer 1450 mannen en 2 vrouwen verloren hun leven. Het monument is groot, het bronzen beeld van de landende Britten geëmotioneerd weergegeven, maar het aller -ja aller- overweldigends is de in gietijzer uitgevoerde silhouet van elke omgekomen Brit, compleet met naambordje. Ze staan met het hoofd gebogen voor u, treurend om het verlies van hun eigen leven en die van hun kameraden. Midden tussen hun in staan twee vrouwen, verpleegsters, die om het leven kwamen tijdens het zinken van hun hospitaalboot.
Er is een opmerkelijk verschil in monumenten bij de landingszones van de Amerikanen -Utah en Omaha- en die van de Canadezen, Engelsen en Vrije Fransen (Kieffer commando’s) -Sword, Juno en Gold-. De laatsten zijn veelvuldiger en kleiner, meer toegespitst op de diverse eenheden van een Brigade, terwijl bij de Amerikanen alles veel pompeuzer is, meer voor massale herdenkingen. Langs de hele kust -althans bij
de plaatsen- hangen banieren met namen en gezichten van gewone soldaten. Onze helden, staat erop vermeld.
Duitse begraafplaatsen heb ik niet bezocht, gek hè, komt gewoon niet in me op! De Amerikaanse begraafplaats in Colleville vond ik het meest indrukwekkend. Misschien vanwege het grote aantal gevallenen, misschien omdat Theodoor Roosevelt en zijn broer er begraven ligt, misschien vanwege de oude Dacota die er net een Fly-over deed. Ik weet het niet.
Veertig jaar geleden toen ik voor het eerst vluchtig de stranden bezocht, lagen er nog diverse granaten en hulzen verspreidt over de duinen en het strand. Gelukkig zijn deze bijna allemaal opgeruimd en leveren ze geen gevaar meer op voor de toeristen. Deze zijn er massaal, zelfs nu de schoolvakanties afgelopen zijn, de temperatuur aanzienlijk gedaald is en de wind voor het grootste gedeelte stormachtig was. Busladingen komt u er tegen, vooral irritant als iedereen tegelijkertijd een opengestelde bunker wil betreden. Toch mag u Pointe du Hoc -ook zo’n aantrekkingsmonument- niet missen. U krijgt een goede
indruk van de moeilijkheden die de Geallieerde soldaten moesten overwinnen. Wilt u bunkers bezoeken? Ga dan naar Utah-beach. Minder toeristen en vele van de Duitse versterkingen kunt u gewoon bezoeken.
In ieder geval mijn favoriete strand. Ik kon daar geheel alleen met mijn overpeinzingen rondlopen. Bijna veertien dagen ben ik in Normandië geweest en nog lang niet uitgekeken, maar het is tijd om verder te gaan. De prehistorie roept!
“Mijn D-Day” (4) Sainte Mère Eglise
Daar hangt hij dan, moederziel alleen terwijl de kogels hem om de oren vliegen. De parachutist van de 82e Airborne Divisie was door een navigatiefout en de sterke wind recht boven het dorp van Sainte Mère Eglise gedropt. De daar aanwezige Duitse troepen openden in het felle maanlicht het vuur op de duidelijk
zichtbare mannen. Velen werden gedood, sommigen hadden geluk. John Steele was een van hen. Zijn parachute bleef aan de kerk hangen, urenlang hield hij zich dood om tenslotte door twee Duitse soldaten losgesneden te worden en gevangen gezet.
Daarmede is het verhaal van John Steele in Sainte Mère Eglise nog niet beëindigd. Hij weet te ontsnappen en voegt zich weer bij zijn eenheid. Met hen veroverde hij het dorp.
Steele springt vervolgens boven Arnhem, na hevige gevechten en een mislukte poging om de bruggen te veroveren, weet hij wederom terug te keren op grondgebied dat gecontroleerd wordt door de Geallieerden. Zijn Divisie wordt verplaatst naar België waar hij betrokken raakt bij het Duits Ardennenoffensief.
John Steel overleeft al dit oorlogsgeweld en trekt met zijn Divisie Duitsland binnen, waar hij actief blijft tot het eind van de oorlog. In 1969 overlijdt Steele.
In Sainte Mère Eglise is hij nog vaak terug geweest, het dorp heeft hem tot ereburger gemaakt. Als herinnering aan het gewelddadig verleden hangt tot op heden een dummy van Steele -compleet met parachute- te bungelen aan de kerk. Wel aan de verkeerde zijde! Gedaan voor de toeristen die massaal afkomen op het inmiddels bekende stadje.
Aan de overzijde van de kerk is een fantastisch Airborne museum gebouwd. De Verteller van het oude kan het u van harte aanbevelen. Ze volgt in vijf losstaande gebouwen de parachutisten landing. Geweldige nagebouwde scenes, u stapt bijvoorbeeld in een vliegtuig van de luchtlandingstroepen. Het geluid van de motor, de ontploffende granaten van de luchtverdediging, de spanning op het gezicht en dan …. de jump! Ik beleefde het met spanning en rillingen!
Er was nog een reden om naar Sainte Mère Eglise af te reizen. Het dorp eert Theodoor Roosevelt met een standbeeld. De eerlijkheid gebied wel te zeggen dat er weinig bezoekers komen. Het beeld ligt achter het museum verstopt, de meeste in geschiedenis geïnteresseerden weten niet eens dat het er staat. Er is geen verwijzing naar toe. Maar enfin -we zijn tenslotte in Frankrijk-, ik heb het levensechte, op ware grote, zeer gelijkende beeld gevonden. Dat hij hier geëerd wordt heeft te maken met het feit dat Roosevelt hier tijdelijk begraven is geweest. Zijn graf werd door verschillende hoge militairen en regeringsleiders bezocht. Het maakte van Sainte Mère Eglise een soort bedevaartsoord. “Waar heeft de Verteller het over?”, vraagt u zich misschien af. Leest u dan het tweede stukje dat ik in deze serie “Mijn D-Day” geschreven heb.
De in de Eerste Wereldoorlog gewond geraakte Brigade Generaal -gifgas en kogel- en aan hartfalen en zware artritis leidend, staat met zijn onafscheidelijke stok afgebeeld. Deze kunt u overigens bekijken in het museum van Utah-beach. Kolonel James Rodwell heeft het reliek -als een soort eerbetoon- de hele verdere oorlog meegedragen. Via de familie van de man is ze in het bezit van het museum gekomen.
Geschiedenis is van ons allemaal en eens worden we zelf geschiedenis.
“Mijn D-Day” (3) Band of Brothers
Ik sta op dit moment naast het invasiestrand Utah-beach geparkeerd. Het waait hard, om niet te spreken over een storm. Regen knettert met bakken uit de lucht. Dan weer gaat de zon schijnen en zwakt de wind een beetje af en is het heerlijk uitwaai weer.
Wat een vreselijke ervaring moet het zijn geweest voor de 13.000 parachutisten die in de vroege ochtenduren van de 6e juni uit talrijke vliegtuigen sprongen. Wat was het geval?
De nazi’s hadden grote delen in het achterland van het zwaar verdedigde Utah-beach onder water gezet. Het zou voor de landingstroepen een hele opgave worden om over de vier aanwezige wegen landinwaarts op te rukken. Bovendien stonden er vele bunkers voorzien van het modernste geschut en mitrailleurs.
Maar die wind!! Tijdens het springen voelden de mannen het al, ze werden willoos meegevoerd. De parachutisten kwamen over een groot gebied verspreid terecht. Zonder vaak hun officieren, hun radio. Geen notie waar ze waren. Achter elke heg -en daar zijn er hier veel van- kon de vijand liggen. Een klikapparaat bracht in veel gevallen het onderscheid tussen vriend en vijand. Twee klikken, gevolgd door één klik van de andere kant (of omgekeerd). Met veel moeite slaagden de mannen erin om hun doelen te bereiken, tegen hoge verliezen!
Onder de parachutisten waren de mannen van de 101 Airborne divisie. Ze zullen later in de Tweede Wereldoorlog nog meer heldendaden verrichten. Ze waren onder andere betrokken bij Operatie Market Garden -de mislukte poging van de Geallieerden om de Rijnbruggen bij Arnhem te veroveren- en bij Bastogne waar ze de Duitse tegenaanval door de Ardennen een halt toeriepen. U weet wel, op het Duitse capitulatieverzoek antwoordde de Amerikaanse bevelvoerder: “NUTS!”.
Echt beroemd werden ze bij het grote publiek door de serie Band of Brothers, waarbij Easy Company -onder bevel van Majoor Dick Winters- gevolgd werd vanaf D-Day tot aan de capitulatie.
Hier in Normandië is men de “Screaming Eagles”, zoals hun bijnaam luidt, niet vergeten. In het dorp Carentan is een monument voor ze opgericht ter herinnering aan de zware gevechten die de 101 Airborne daar gevoerd heeft. Het dorp was van strategisch belang omdat ze Omaha en Utah beach gescheiden hield. De 101 veroverde het dorp zonder al te veel weerstand, er werden echter Duitse versterkingen aangevoerd. Deze voerden intensieve tegen aanvallen uit. Maar de geallieerden hielden stand en braken na 6 dagen van verwoede gevechten de weerstand. Carentan was bevrijd.
Het monument is klein, maar hun daden waren groot!
“Mijn D-Day” (2) Op zoek naar Theodoor Roosevelt
Rij aan rij liggen ze, fantastisch uitgelijnd. Hoe je ook kijkt, de rijen met de witte kruizen staan perfect in diagonale of horizontale lijnen, afhankelijk vanuit welke positie u kijkt. De begraven mannen (en 4 vrouwen) hebben hun blik gericht op het strand van Omaha. Onderscheid in rang valt aan de kruizen niet
te zien. In de dood zijn wij allemaal hetzelfde, vergaan tot bot, ontdaan van de ziel. Wat rest is de herinnering.
Men doet er hier, op de Amerikaanse begraafplaats in Colleville-su-Mèr, alles aan om deze levend te houden. Een prachtig museum eert de dappere gevallenen met persoonlijke verhalen en afbeeldingen. Op 35.000 m liggen 9386 soldaten uit Wereldoorlog II begraven en één uit de Eerste. Driehonderdenzeven personen zijn nog steeds niet geïdentificeerd. De bevrijders van Europa liggen in acht vakken begraven. Bovenop 149 kruizen is een davidster geplaatst, de religie van de overledene weergevend.
Ik was op zoek naar het graf van Roosevelt, Brigade Generaal, wegens zijn moed tijdens de landing op Utah-beach postuum onder scheiden met de Medal of Honor!
Hij was de zoon van Teddy (Theodoor) Roosevelt, de ex-president van Amerika en neef van de toenmalige president F.D. Roosevelt. De Brigade Generaal -hij vocht in beide wereldoorlogen- kon maar beperkt lopen, altijd met een stok, als gevolg van een ernstige vorm van Artritis. Dat was waarschijnlijk ook de reden -men vond hem ook te oud, 57 jaar!- dat hem geweigerd werd om samen met zijn mannen in de eerste aanvalsgolf aan land te gaan. Roosevelt nam er geen genoegen mee, hij dreigde ontslag te nemen uit het leger en naar de pers te stappen. Hetgeen heel wat opschudding zou veroorzaken als de zoon van een ex-president geweigerd werd zijn eigen leven in de waagschaal te stellen. Negatieve publiciteit waar de Waroffice op dat moment niet van gediend was. De derde (schriftelijke) aanvraag werd goedgekeurd.
Daardoor kwam het dat zijn zoon Kapitein Quentin II op Omaha tegelijkertijd met hem (Utah) aan land ging. Zij waren de enige vader en zoon die op D-Day de stranden bestormden. Rooseveld was bovendien de eerste Generaal (en de oudste man!) die aan land ging, Montgomery bijvoorbeeld volgde pas zes dagen later.
Overal op het internet kunt u zijn daden tijdens de eerste dagen van de landing lezen, een wonder dat de “langzame” man het overleefde. Op 12 juli 1944 sloeg echter het noodlot toe, in een boomgaard, geen Duitse kogel maar een hartinfarct maakte een eind aan het leven van Theodoor Roosevelt. Hij ligt begraven in Vak D, rij 28, graf 46. Voor alle gesneuvelde mannen die hij aanvoerde en naast Quentin, zijn broer! Deze laatste -piloot- omgekomen tijdens de Eerste Wereldoorlog, overgebracht uit Frankrijk om nu naast elkaar te rusten.
Het ontroerde me. Wat zijn de tijden veranderd, waar zijn die sterke zonen van een Amerikaanse president gebleven. We zien ze tegenwoordig strak in pak en regelmatig in de rechtbank verschijnen.
Nee, dan deze twee onverschrokken strijders. De Verteller van het Oude brengt een saluut!
“Mijn D-Day” (1) Pointe du Hoc
De Vikingen kenden de frappante plek al, de naam Hoc is afgeleid uit hun taal en komt van Haugr wat heuvel betekent. Voor hun navigatie gebruikten ze deze markante, 30 meter hoge en in zee uitstekende rots. Negenhonderd jaar later zagen de Nazi’s ook haar belang in, vanaf 1942 begonnen ze er
ongelooflijke versterkingen aan te leggen. Zware, haast ondoordringbare bunkers voorzien van zware kanonnen. Pointe du Hoc werd door de jaren heen getransformeerd tot vesting. Toen de geallieerden eenmaal besloten hadden tot een invasie op de stranden in Normandië, dwarsboomde ze de plannen. Haar geschut -buitgemaakt op de Fransen- was van hetzelfde kaliber (155 mm) als de scheepskanonnen. Haar projectielen zouden een serieuze bedreiging vormen voor het konvooi en haar landingsboten.
Pointe du Hoc ligt tussen de invasiestranden van Utah-beach en Omaha in en kon beide stranden bestrijken. Vijf maanden voor de invasie informeerde de Geallieerde opperbevelhebber -Generaal Eisenhower- Luitenant-Kolonel Rutter. De man kreeg alle geheime informatie te zien en kon in eerste instantie, toen hij de zwaar verdedigde plek zag, niet geloven dat hij en zijn Rangers daarop af werden gestuurd. Na zijn eerste verbazing overwonnen te hebben, begon hij zijn manschappen te trainen in het beklimmen van 30 meter hoge rotsen. Ze gebruikten daarvoor mortieren die enterhaken met zware touwen konden afschieten. Rutter zou een half uur (!) de tijd krijgen om naar boven te klimmen met zijn manschappen en de verdediging uit te schakelen. Geschiedde dat niet en het afgesproken signaal (een lichtkogel) werd niet afgeschoten dan zouden zijn versterkingen (500 man) naar Omaha gedirigeerd worden.
Op zes juni begonnen de geallieerde boten met een overweldigend scheepsbombardement. Rookgranaten verdoezelden de komst van de landingsboten. Helaas voor de 225 Rangers was de stroming heel sterk en dreven de boten af. De correctie van de positie kostte een half uur, waardoor de gestelde termijn aan Rutter verstreken was. Bovendien kregen de Duitsers een half uur tijd om zich op de komst van de Amerikanen voor te bereiden.
Blootgesteld aan verschrikkelijk vuur van boven beklommen de Rangers de rotsen, moedig en wanhopig! De haken in de mortieren functioneerden niet of nauwelijks omdat de touwen door het zeewater veel te zwaar werden en zodoende de projectielen hun doel niet konden bereiken. Met messen en bajonetten in de rotsen stekend, klauterden de onverzettelijken door. Bereikten de top en schakelden de bezettingen van de diverse bunkers uit. Tot hun verrassing troffen ze de zware kanonnen niet aan. Door de aanhoudende bombardementen vanuit de lucht hadden de Nazi’s besloten deze verder naar achteren te verplaatsen en te vervangen door houten dummy’s! Nadat ze over de eerste verbazing heen waren gingen de Rangers op zoek. Uiteindelijk vonden ze de zware kanonnen en bliezen deze op.
Voor Rutter en zijn mannen kwam er geen versterking, gedurende twee dagen en nachten -zonder slaap- hielden ze stand tegen de aanvallen van de Duitsers. Toen ze uiteindelijk ontzet werden waren er nog maar 90 manschappen in staat om te vechten.
Tegenwoordig is van het slagveld een gedenkplaats gemaakt. Compleet met museum waar u eerst gefouilleerd wordt voordat u naar binnen mag. De rots is niet meer zo stabiel, en wordt regelmatig -door Amerikanen!- gerestaureerd. De diepe kraters laten overal de sporen van het gevecht nog zien. Enkele bunkers zijn compleet verwoest, brokstukken liggen tientallen meters weg. U mag alleen rondlopen via de aangegeven veilige paden. Bereid u voor op de nodige toeristen. Toen ik er was kwamen er busladingen! Het gaf vooral bij de op de punt gelegen observatiebunker een opstopping. Deze is helemaal gerestaureerd en u kunt er naar binnen. U heeft een fantastisch uitzicht op de landingsplaatsen. In de iconische zwart-wit film (met alleen maar sterbezetting) over D-day houdt een Duitse oudere soldaat de wacht in de bunker. Door zijn verrekijker kan hij door de mist niets zien. Als deze dan plotseling optrekt ziet hij de armada liggen. Verschrikt meldt hij dat per telefoon aan zijn meerdere. Dat stukje van de film is hier opgenomen.
Ik verliet de plek vol bewondering voor de dappere beklimmers van de rots. Inmiddels zijn de Rangers een elite eenheid binnen het Amerikaanse leger. Hun motto: “Lead the Way, Rangers!” Voor het eerst uitgesproken tijdens D-Day.
Napoleon, op eenzame hoogte!
De man kent vele aanbidders, maar ook grote aantallen verwensen hem. De Verteller van het Oude heeft grote bewondering voor hem als staatsman en de reorganisaties die hij heeft doorgevoerd. Denkt u daarbij o.a. aan het invoeren van het metriek stelsel, eenheid in gewicht, rechts rijden, invoeren van achternamen en het schrijven van een Burgerlijk wetboek. Om maar eens wat te noemen. Als veldheer was hij -zeker in zijn jonge jaren- onovertroffen. Voor zijn misdaden tegen de mensheid heb ik geen goed woord over, al verdwijnt dat soms bij ons bewonderaars op de achtergrond. Kritisch zijn op de man hier in Frankrijk wordt u bepaald niet in dank afgenomen, hetgeen uw schrijver vanochtend ondervond. In Boulogne sur Mèr stond ik voor een dichte poort vol verbazing te kijken naar de 54 meter hoge sokkel met daarop een bronzen standbeeld van Napoleon. Ik raakte in gesprek met een Fransman die net als ik stond te balen dat de poort gesloten was. Een tijdlang was het gezellig, totdat ik een kritiekpunt liet vallen. De man liet een hartgrondig “Merde!” ontsnappen aan zijn lippen, maakte een handgebaar en draaide zich om.
Licht geraakt, zullen we maar zeggen.
Terug naar Napoleon. In de beginjaren van de 19e eeuw trok hij bij Boulogne een gigantisch leger samen. Honderdtwintig duizend manschappen uiteindelijk! De hele kust lag vol met allerlei type boten, bedoelt om de troepen over te brengen naar Engeland. Helaas voor Napoleon was de Engelse vloot te sterk en werd in 1805 het voornemen afgeblazen. Daarom rijden de Engelsen nog steeds links (etc.).
Om zijn soldaten een hart onder de riem te steken reikte Napoleon in 1804 tweeduizend onderscheidingen uit aan zijn meest dappere strijders, het Légion d’Honneur! De volgende dag opperde een van zijn generaals (ik geloof de latere Maarschalk Soult, waarschijnlijk omdat tegelijkertijd met de massa uitreiking bevorderd werd!!), dat deze gebeurtenis voor altijd herinnerd moest worden. Een gedenkteken moest er komen! Het ontwerp dat gekozen werd vond zijn inspiratie in de oudheid. Keizer Trajanus had in Rome een zuil met daarop zijn beeltenis laten plaatsen. Niet zo hoog natuurlijk als die van Napoleon, dat begrijpt u wel! De bekostiging van het hele project lag bij het leger. De soldaten moesten per maand een halve dag salaris inleveren, officieren een dag. Voortvarend werd met de bouw begonnen, echter Napoleon werd in 1815 bij Waterloo definitief verslagen en het half gereed zijnde monument kreeg een andere bestemming. De beeldhouwwerken werden vernietigd en de bronzen omgesmolten (behalve de “neutrale” leeuwen).
Vijf jaar later werden de werkzaamheden hervat, maar dan voor de toenmalige koning . Op de acht jaar later gereed gekomen zuil werd een appel geplaatst. Het teken van het toenmalige koningshuis. Ook kwam er een monumentale laan met paviljoens.
Maar zoals dat dan gaat, regenten komen en gaan. Het sentiment, het verlangen naar een grootse tijd, keerde terug. De appel werd in 1841 werd vervangen door Napoleon.
Maar daarmede is de geschiedenis van het bombastische, maar o zo mooie en indrukwekkende monument, nog niet ten einde. Het overleefde de Tweede Wereldoorlog, niet in de laatste plaats omdat Napoleon keek in de richting van Engeland. Hetgeen de Nazi’s wel beviel. Nota bene Charles de Gaulle vond dat het monument een vredelievender uitstraling moest krijgen. Een nieuw beeld werd geplaats, nu met het gezicht naar het binnenland gericht. Goed voor de Frans/Britse relatie zullen we maar denken. Het origine bronzen beeld staat nu in het kleine museum achter de voor mij gesloten hekken. Wat had ik er graag een kijkje willen nemen. De achtergelaten/vergeten steek van Napoleon is er aanwezig en diverse documenten aangaande de invasie en het Légion d’Honneur worden er tevens bewaard. Maar het aller, allerliefst had ik de meer dan 200 treden in het binnenste van de Colonne de Grande Armee beklommen. Dichterbij Napoleon had ik niet kunnen komen.
Snik!
Gebarentaal op afstand
Een kaap met een voor ons geweldige historie, niet in de laatste plaats omdat de naamgeving uit het oud-Nederlands komt. Negentien kilometer ten zuiden van Cap Blanc-Nez ligt de grijze neus (letterlijke
Franse vertaling), Cap Gris-Nez. Slechts vijftig meter hoog, het kanaal overziend en op maar 33 kilometer afstand van Engeland. Het land er omheen is vruchtbaar en voorzien van vele stukken vuursteen. Geen wonder dat de prehistorische mens er al woonde en jaagde. Maar ach, voor een keer was ik daar niet naar op zoek. Ik zocht naar restanten waar eens (1805) een semafoor was geïnstalleerd. Initiatiefnemer was Napoleon Bonaparte! Hij zocht een manier om berichten snel door te geven. Een semafoor is een optisch apparaat, ze stond op een groot houten platform, in het midden daarvan stond een houten paal recht omhoog. Tegen de top aan was een beweegbare horizontale balk gemonteerd, aan beide uiteinden waren “beweegbare armen” bevestigd. De stand van de balk en de armen gaven een letter (in code) aan. Om de tien kilometer werd een semafoor geplaatst zodat de ene post ze met een verrekijker kon lezen en doorgeven aan de verderop staande semafoor. Uiteinde bereikte het bericht zo Parijs (Napoleon) en werd het gedecodeerd. Vooruit lopend op een invasie in Engeland liet de “kleine korporaal” een semafoor plaatsen op Gris-Nez.
Vol verwachting trok ik hijgend en puffend over de steile heuvels naar Cap Griz-Nez. Maar weer eens hadden de Nazi’s de boel “verpest”. Geen aanwijzing te vinden waar eens de standplaats van semafoor was geweest. In plaats daarvan gigantische -en enorm veel- bunkers. De anders toch vrij chauvinistische Fransen hebben er ook geen bord met begeleidende tekst over deze gebeurtenis neergezet. In plaats daarvan teksten over de natuurschoon, prehistorie, de vuurtoren en de Tweede Wereldoorlog. De zeeslag tussen 45 Engelse schepen en een konvooi van kleine schepen onder leiding van een Nederlandse admiraal voor de kust van Gris-Nez was al evenzo niet het vermelden waard.
Het weer en het uitzicht op Engeland was prachtig. Een verkoelende duik in het Kanaal -een paar kilometer terug- deed mij vergeten waarom ik naar Gris-Nez kwam. Morgen maar eens Napoleon bezoeken!!
Een krijtkaap met een “Nederlandse” naam
Even een uitstapje in een andere tijd. Een uitstekende klif in het noorden van Frankrijk waar de meeste mensen wel van gehoord hebben. Minder bekend is dat de “blanke neus” (letterlijke vertaling in het Frans) qua benaming zijn oorsprong in het oud-Nederlands heeft.
Blanka Nest – blanke/witte uitstekende punt. In de 17e eeuw verbasterd in het Frans tot haar huidige naam, Cap Blanc-Nez. Ik sta al een paar dagen geparkeerd in het nabij gelegen plaatsje Wissant, genietend van de zon en zee en mijn Hollandse eten. Vandaag had ik behoefte om de 134 meter boven de zeespiegel uittorende heuvel per fiets te beklimmen en te gaan genieten van het uitzicht en de bijzondere geschiedenis van de Cap. Als me één ding duidelijk geworden is; ik ben absoluut geen berggeit. Deelnemen aan de Tour de France zit er voor mij niet in. De steile heuvels rondom het gebied kon ik maar met moeite bedwingen.
Boven aangekomen -trouwens ook uit de verte- viel onmiddellijk de grote obelisk op. Een herinneringsteken aan de Dover-patrouille in de eerste wereldoorlog. Op dit gedeelte is het Kanaal het smalst en was ze cruciaal voor de Geallieerden. De Dover patrouille, voornamelijk bestaande uit Engelse schepen en manschappen, had tot voornaamste taak deze zee-engte te bewaken. Hiertoe werden vele vissersboten en hun bemanningen gevorderd en voorzien van kanonnen en instrumenten om de vele drijvende Duitse mijnen onschadelijk te maken. Daarnaast zorgde ze voor het transport van gewonden die in Engeland behandeld moesten worden en leverde zijn voorraden af in Frankrijk. In totaal vonden meer dan 2000 zeelieden van deze groep de dood. Meestal veroorzaakt door een ontploffende mijn. Om hen te eren werd de “Naald van Cap Blanc-Nez” opgericht.
Iets meer dan dertig jaar later veroverden de Nazi’s het gebied. Zij bouwden het gebied om tot één van
de meest versterkte posities van de Atlantikwall. De Lindemann groep, zoals de bezetters van drie enorme bunkers genoemd werden, schoten met hun 20 meter lange kanonnen enorme granaten -ze wogen meer dan een ton- af op de Engelse kusstreken. Er bestaat een iconische foto van een Duitse soldaat op wacht staand, naast het enorme kanon. “Kijk ons eens veilig zijn, wij beschermen Duitsland!”, lijkt het te willen uitdrukken. Goed voor het moraal!(?)
Waar de Engelse bommenwerpers niets konden uitrichten tegen de bunkers -getuige de vele bomkraters- slaagde de bouw van de Kanaaltunnel! In 1993 werden de vestingwerken overspoeld met vloeibaar slib uit de tunnel. Vele kleinere versterkingen liggen er nog steeds onder.
O ja, “de Naald” werd door de Nazi’s opgeblazen. Geen herinnering aan die nederlaag! In de jaren zestig is ze herbouwd.
Blanc-Nez staat ook bekend om haar fossielen rijkdom. Een toestand die ik me alleen uit het grijze verleden kan herinneren. Het verslag van mijn teleurstelde, mooie tocht, krijgt u later. Morgen eerst naar Cap de grijze neus.
Een tandje meer of minder
Of zoals een bekend haaientandenzoeker het ooit eens formuleerde: ”Ik heb liever dat ik ze vind, dan dat ze mij vinden!”
Na vijf uur vergeefs gezocht te hebben, moest ik aan zijn opmerking denken. Vandaag wilde kennelijk geen tand gevonden worden.
Volgens de boekjes moest ik een ondiepe kuil graven tegen de vloedlijn aan. Daarom lag er in mijn auto ook een grote schop. Op het bewolkte en zeer winderige strand waren kinderen de enige die met een schepje groeven. Al dan niet bijgestaan door papa en mama, ingenieuze constructies bouwend waardoor het water vrijelijk kon stromen en de wanden van de bouwsels instortte.
Ineens zag ik het niet meer zitten om als grote man in mijn eentje kuilen te gaan graven, te meer omdat de rest van de vele strandgasten zich met andere zaken bezighielden. Schep maar weer teruggebracht en diep voorover bukkend het strand afgezocht. Opgeven wilde in eigenlijk niet, wat moest ik u dan vertellen!
Af en toe zijn de prehistorische goden mij goedgezind. In de verte ontwaarde ik een grote diepe kuil, onmiddellijk dacht ik vooroordelend aan Duitsers. Ze lag iets hoger dan waar ik tot dan toe gezocht had. De eerste aanblik deed me gelijk grijnzen, op de rand lag een prachtig drie cm groot exemplaar. Waarschijnlijk schoongespoeld door de overvloedige regen van de laatste 24 uur. In een mum van tijd had ik er vijf verzameld. Verderop lagen nog enkele diepe kuilen. Hetzelfde resultaat; grijnzen en vinden! In totaal heb ik een stuk of vijftien gevonden. Vergeten waren de vergeefse inspanningen van de laatste uren. Terug naar mijn, in een winderige duinpan geparkeerde camper en een stukje schrijven.
Helaas ben ik geen specialist, ik weet niet van welke haaiensoort(en) de tanden afkomstig zijn. Ook de ouderdom kan ik slechts bij benadering typen: tussen 2,6 en 23 miljoen jaar oud.
Zelf zoeken? Tip van de Verteller van het Oude: tussen Breskens en Camping Groede.
Wel een schep meenemen!!!!!
Weer op reis!
Ik heb al heel wat mooie reizen mogen maken, maar er valt nog zoooo veel te zien. Mijn honger is nog
lang niet gestild. Ditmaal gaat de tocht via de kust van Nederland, België (fossielen) en deels Frankrijk (o.a. stranden van Normandië, Carnac, prehistorische grotkunst) naar Portugal (Romeinen en Megalieten).
Via mijn website (Nieuws) kunt u de belevenissen volgen. Het belooft weer spectaculair te worden, ik heb er zin in. U ook?
Op bezoek bij oude bekenden
Misschien dat de dames, waarover dit stukje grotendeels gaat, de titel niet zo kunnen waarderen. Maar ter geruststelling, het heeft slechts indirect met leeftijd te maken. De archeologen in kwestie, Janneke Hielkema en Miranda de Wit, ken ik sinds de beginjaren van deze eeuw. Samen hebben we heel wat opgravingen mogen verrichten. Vakvrouwen met gevoel voor humor. Altijd plezierig werken wanneer zij -of één van beiden- de leiding over een project hadden. Omdat de Verteller van het Oude niet zoveel meer opgraaft -en dat heeft echt met ouderdom te maken- ziet hij ze amper meer. Beiden werken voor RAAP. Het archeologisch bureau graaft op dit moment in Borger, een archeologisch mekka waar ik in het verleden mijn schepje aan heb bijgedragen. Ik kon deze gelegenheid niet voorbij laten gaan,
dus toog ik vlak voor de pauze (tactisch moment) er heen. Alsof er niks veranderd was, alsof we elkaar gisteren nog hadden ontmoet. Helemaal toen archeologisch maatje Gosse Kerkhof ook nog opdook. Nu ik toch aan het namen noemen ben, moet ik zeker de naam van Amé Hadders noemen. In mijn onderwijzersperiode heb ik haar op de basisschool les mogen geven en nu is ze afgestudeerd en werkzaam in de archeologie. Ik wil graag geloven dat ik er een beetje aan bijgedragen heb. Wishful thinking!
Bijna vergeten. De pas begonnen opgraving leverde al een schitterend huisplattegrond uit de ijzertijd op.
Die roze helmen -vanaf vrijdag te bewonderen(?)- kunnen echt niet dames! Maar de quad is stoer!
Vuistbijl kampioenschap
Voor de vijftiende maal organiseert het Oermuseum in Diever het nationaal kampioenschap vuistbijlen maken. Het belooft dit jaar een speciale editie te worden. Niet alleen omdat de Verteller van het Oude voor de eerste maal niet aanwezig kan zijn en daardoor zijn talenten niet kan meten met de anderen.
Na afloop van het kampioenschap wordt namelijk aan Ernest Mols (Oermuseum) de onlangs gevonden vuistbijl van Havelte overhandigd. Tim heeft besloten dat het museum zijn topvondst in bruikleen krijgt.
Het kampioenschap wordt gehouden op zaterdag 13 september, locatie: Oermuseum Diever, tijdstip: van 10.00 uur tot 12.00 uur. U wordt van harte uitgenodigd om deel te nemen of te komen kijken.
Nieuws augustus 2025
Museum krijgt vuistbijl in bruikleen
Een tijdje geleden heb ik u in mijn nieuwsoverzicht op de hoogte gebracht van de “Vuistbijl van Havelte”.

Een Neanderthaler artefact welke door een scholier -Tim- in de naam gevende plaats gevonden is. Op een schoolreis notabene. De Verteller van het Oude kon maar met moeite een gevoel van jalousie onderdrukken. Geweldig als je op je jeugdige leeftijd al zoiets vindt. Dat belooft nog wat voor de toekomst!
Tim heeft het artefact in bruikleen gegeven aan het Oermuseum in Diever, wederom een actie die uw schrijver zeer kan waarderen. Het museum is maar wat trots op de aanwinst getuige het bericht wat verscheen op de website van TV-Drenthe. U kunt het lezen door op deze link te drukken.
Wie het kleine niet eert …
Ooit had ik een prachtige, voor driekwart complete, kraal gevonden op een akker. Van glas notabene, een oudje. Gedetermineerd door deskundigen op dit gebied -dat ben ik zeker niet!- als laat Romeins of vroeg Middeleeuws. In het “ouder nieuws” kunt u alles over deze kraal te weten komen. Er aan denken doet me al zeer en laten de tranen vloeien (beeldspraak). Ze is namelijk zoek, ik kan haar niet meer vinden. Hoe is dat nu mogelijk?
Ik weet het niet, maar het is zo! Niet bepaald een hoogtepunt in de carrière van een zichzelf serieus nemende, min of meer professionele amateur archeoloog. Maar genoeg over dit dieptepunt, tijd voor vrolijker nieuws. Ik heb er namelijk nog één gevonden! Niet dat ik me toentertijd de belangrijkheid heb gerealiseerd, ze lag achteloos neergelegd in de bak met vondsten van mijn vindplaats met de aanduiding VlR III. Vier millimeter in doorsnede, wit met vier blauwe banen. Het leek me zo modern, niks prehistorie en daarom minder interessant. Nu -35 jaar later!- duikt ze dus weer op,
mijn zienswijze is veranderd. Ik behandel haar als een kleinood, een schat uit mijn verleden.
Gelukkig zijn er deskundigen die me verder kunnen helpen. Veertiende eeuws Venetiaanse glazen kraal. Op een Drentse akker! Onmiddellijk gaan de radertjes in mijn hersenen werken, hoe komt ze daar? Een graf uit de Middeleeuwen? Stadsvuil? …… Ik weet het wederom niet.
Het enige wat duidelijk is; mijn ogen registreerden een stuk meer dan hedentendage!
Hoe dom kun je zijn?
Die vraag stelde ik me de laatste dagen. En ik had toch alles goed gedaan? Mijn archeologische vriendjes middels een foto om raad gevraagd, een bekend archeoloog (alleen verstand van steentjes overigens!) er naar laten kijken onder de microscoop. Literatuur erop nageslagen. Ik werd alleen maar enthousiaster en overtuigder van de zeldzaamheid van de vondst.
“Waar schrijf je over?”, zult u zeggen. Een door mensenhand bewerkt stukje (vogel) bot, prachtig doorboord met een vuurstenen stekertje! De typische “draaikolk” beschadiging deed mij nog meer geloven in mijn bewering.
Ik had haar gevonden tussen de artefacten van een in 1995 ontdekte vindplaats. Toentertijd achteloos in een bak gelegd en pas nu -30 jaar later- weer tevoorschijn gehaald. Omdat de akker waarop ik de vondsten deed inmiddels opgenomen is in een natuurgebied en daardoor niet meer te bezoeken valt, besloot ik de daar gedane vondsten in te leveren bij het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis. Opgetogen liet ik aldaar Dion Stoop mijn schat zien, de klap kwam na twee seconden. “Leuk”, klonk het op een meelijwekkende toon, uitgesproken met een brede glimlach; “Een stukje kalkpijp. En toen zag ik het ook, het frummeltje onderaan de pijp waar meestal een stempeltje staat van de fabriek waar ze gemaakt is. Het gat onder mijn voeten werd een krater waar ik het liefst in verdwenen was.
Laat ik positief eindigen, omkeren zogezegd. De Verteller van het Oude is ondanks zijn enigszins gevorderde leeftijd zijn jeugdig enthousiasme nog niet kwijtgeraakt!
Een vergeten mes
In mijn database staat ze vermeld als “schrabber”. Niet zo verwonderlijk dat een beginnende zoeker naar
artefacten uit de prehistorie -ik dus!, dertig jaar geleden- deze fout maakt. Kijkt u maar eens naar de prachtige, regelmatige retouche die op het artefact zit. Klik u vooral op de foto om deze te vergroten, de schoonheid ontvouwt zich in al haar glorie.
Het is een meisje uit het Laat-Neolithicum of de Bronstijd. Op de niet afgebeelde
zijde zit wat grof retouche, misschien is deze kant bedoeld om als schrabber te gebruiken. Ze is ongeveer 5 centimeter lang, te kort om goed vast te houden. Daarom zijn ze geschacht geweest, u kent vast wel de paalwoningen uit Zwitserland. Daar waar de grond aan de rand van de meren een fantastische conserverende werking heeft. Niet alleen delen van de houten palen waarop de huizen waren gebouwd zijn bewaard gebleven. Ook andere vondsten van hout zijn gedaan, waaronder diverse geschachte mesjes. Vastgezet met berkenteer in een ingekerfd stukje. Ik heb voor u een plaatje van het internet geplukt. De overeenkomsten tussen de Zwitserse laat-Neolithische vondst en de mijne zijn overduidelijk. Opvallend is de doorboring van het object op het internetplaatje. Touwtje erdoor en aan de leren riem hangen, of zelfs om de nek!
Oproep
Elke donderdagavond determineer ik samen met een aantal archeologische vrienden de steentijd vondsten die ingeleverd zijn bij het Noordelijk Depot in Nuis. We doen dat al zo’n twintig jaar! Vele collecties zijn al door onze handen gegaan. Maar nu dreigt er een einde aan te komen, we raken door de vondsten heen. En dat terwijl er in Drenthe nog zo veel in particulier bezit aanwezig is. In Nuis wordt het artefact zorgvuldig beschreven en voor de toekomst in haar historische context bewaard. Beschikbaar voor toekomstige generaties.
Heeft u thuis zelf een collectie -van u of een familielid- denk er eens over na om deze in te leveren. Nu weet u nog waar de stukken vandaan komen, maar de generatie na u weet dat vast niet zo exact. Laten we Drenthe’s erfgoed zorgvuldig bewaren. Belt u eens met Nuis, 0594 – 64 40 00, of kom langs, Nieuweweg 76 9364 PE Nuis.
Etstoel
Het is niet helemaal mijn tijd. Ik vind de Middeleeuwen interessant, maar mijn interesse ligt toch
voornamelijk in de steentijd. In het oeroude dorp Anloo -in haar omgeving liggen diverse vindplaatsen van mij uit deze “oude” tijd- vindt in de kerk jaarlijks een opvoering van de Etstoel plaats. En dat al sinds 1987.
Voor diegene die niet uit Drenthe komt; de Etstoel was tot 1791 het hoogste rechtscollege in mijn provincie. Dit jaar mocht ik getuige zijn van een zaak tegen een priester die een vrouw bezwangerd zou hebben. Ja, ja, ook toen al!
Maar het allermooiste is toch wel de historische sfeer die om de kerk heerst. Het lijkt wel of het hele dorp meespeelt. Mensen zijn mooi verkleed, diverse toneelstukjes opvoerend. Oude ambachten en -ze zijn er nog!- trekpaarden. U weet wel, die grote ietwat lompe paarden die met hun enorme kracht de boeren hielpen het land te bewerken.
Maar vooral de sfeer is zo uniek, elke bezoeker loopt met een glimlach rond. Niemand heeft haast en keert met een goed gevoel huiswaarts. De opbrengsten van de markt gaat naar een een fonds voor onderhoud van de oude -misschien wel de oudste van Drenthe- kerk, de zgn. Magnus kerk.
Volgend jaar verwacht ik u ook te zien!
Collectie
Het moet er toch eens van komen. Een groot deel van mijn archeologische vondsten gaat de deur uit. Dertig jaar lopen over de Drentse akkers heeft een groot aantal artefacten opgeleverd. Mijn huis in de bossen zucht onder haar gewicht! Alles is keurig genummerd, ondergebracht in een database en voorzien van coördinaten.
Veel van de vindplaatsen kan ik niet meer bezoeken, ze zijn veranderd in natuurgebieden of opgeofferd aan nieuwe woonwijken. De artefacten daarvandaan liggen verdrietig in mijn lades, slechts zelden kijk ik er nog naar om.
Binnenkort zullen ze juichen van blijdschap. Ze worden ondergebracht bij hun vriendjes in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis. Beschikbaar voor onderzoekers en andere belangstellenden.
Heerlijk in het zonnetje bekijk ik ze voor een laatste keer, rubriceer ik ze volgens het in Nuis geldende systeem en fluister een bedankje voor dertig jaar plezier dat de steentjes mij geschonken hebben.
Nieuws juli 2025
Olielampje
Tijdens de Oertijdmarkt in Emmen kwamen meerdere malen mensen bij onze vuursteen werkplaats met een archeologische vondst. Soms zelf gevonden, soms als in het geval van het olielampje gekregen. De herkomst van dit prachtige item is niet meer te achterhalen omdat het hier een geschenk van een -inmiddels- overleden vriend betrof.
Ik kon er niet zoveel over vertellen, behalve dat het de vorm van een olielampje had, er zitten wat roetsporen in en heeft een kenmerkende -in dit geval open- tuit voor een lontje. Gemaakt
van kwartsiet houdende granietsteen.
Thuis liet ik voor het eerst van mijn leven ChatGPT los op de foto:
De vroegste voorbeelden dateren van het Mesolithicum (10.000–8.000 v.Chr.), waaronder in Lascaux (Frankrijk) gevonden stenen lampen met een reservoir en een tuit voor de lont . Deze hadden vaak een ovale vorm: een uitgeholde kom en een smalle uitstulping die diende als handvat of lontdrager. Dit patroon komt sterk overeen met jouw object.
Ook in later perioden (Bronstijd, IJzertijd) komen vergelijkbare stenen lampjes voor, soms van steatiet (zeepsteen), die relatief eenvoudig te bewerken was.
De steen lijkt hard en grof gemineraliseerd (granietachtig).
Gelukkig heb ik mijn archeologische vriendjes nog die ik om raad kan vragen. Op een Noorse website kwam één van hen een vergelijkbaar lampje tegen, daterend uit de Middeleeuwen.
Voorlopig even geen kunstmatige intelligentie meer, levende hersencellen hebben mijn voorkeur!
Teleurstellend bijltje
Op deze pagina heb ik met enige regelmaat bericht over een “bijzonder” vlakbijltje, voor het laatst in 2022 en te lezen in “ouder nieuws”. Haar zilvergehalte bedroeg bij metingen rond de 5%, voorwaar een extreem hoog gehalte en uniek voor Nederland. Aanvullend onderzoek waarbij een klein stukje aan de bijl ontnomen werd, leverde een ander resultaat op. Het blijkt dat ze langdurig in een venig, zurige omgeving heeft gelegen waarbij de randen geërodeerd zijn. Het brons is aan de zijkanten een beetje opgelost, het zilver niet waardoor in eerste instantie -metingen van het RCE aan de buitenkant- het gehalte ervan te hoog werd aangegeven. Nu blijkt ze ongeveer dezelfde samenstelling te hebben als de meeste andere vlakbijlen. Jammer, maar weer wat geleerd.
Vuistbijl Holtingerveld
Hoewel hij het nu misschien nog niet zo beseft heeft Tim tijdens zijn schoolreisje een topvondst gedaan.
De scholier vond tijdens een wandeling over het Holtingerveld (bij Havelte) een steen die zijn nieuwsgierigheid wekte. Van een vriend kreeg de Verteller van het Oude een foto toegestuurd om “er eens naar te kijken”. Een vuistbijl, zonder twijfel! Sterk verkleurd en verweerd, met stukken eruit gesprongen door door wind, regen en vorst.
Helaas heb ik de vuistbijl (nog) niet in de hand gehad, ze roept allerlei vragen op. Bijvoorbeeld over de
ouderdom. Het gebiedje bevat stuwwallen die ongeveer 130.000 jaar oud zijn. Is ze meegevoerd door het ijs? Is ze lokaal gefabriceerd? Mogelijkerwijs is ze de oudste vuistbijl tot nog toe gevonden in Drenthe, 70.000 jaar ouder dan de multitools uit de toplocatie in Peest.
Voorwaar een topvondst. Waar ze nu is, weet ik niet. Hopelijk wordt ze door een deskundige onderzocht en horen we er binnenkort meer over. Ik houd u op de hoogte.
Oertijdmarkt Emmen 27 juli
Voor de negentiende keer wordt deze dag georganiseerd. Wederom naast het voetbalstadion van FC.
Emmen. Elk jaar mag ik er vuursteen bewerken met kinderen, altijd een enorm feestje. Uiterst vermoeiend, dat wel. Soms overlopen door hordes enthousiastelingen, geen tijd om verhalen te vertellen. Vanaf het eerste moment dat de markt opengaat zijn wij van ArcheoFlint bezig, van de markt zelf zien we niet veel. De meer dan 140 kramen zijn de moeite waard, veel mineralen, fossielen, archeologie en geologie. Kortom het perfecte uitje!
Onze vriendjes van de Drents Prehistorische Vereniging en Fokke Kiestra met zijn boekenkraam staan in onze nabijheid.
Voor meer info, klikt u dan op de afbeelding van de poster. Tot zondag!
Nieuws juni 2025
Tour de Misère verplaatst!
Het verslag van mijn rondreis langs diverse (historische) plekken uit de Tweede Wereldoorlog is verplaatst. De stukjes zijn te groot om in “Nieuws van de Verteller” te laten staan.
Ze heeft haar eigen, meer passende, omgeving gekregen. Nu wacht ze samen met andere “reisverhalen” op uw komst.
Klik hier voor: Tour de Misère
Klik hier voor: Andere historische rondreizen van de “Verteller van het Oude”
Traces of War!
“Schrijf ook eens een wat kleiner stukje”, schreef één van mijn trouwe lezers. Dat snap ik wel, maar over
de dingen die ik zie valt ook zoveel te vertellen. Meestal laat ik de helft van de informatie weg, anders kan ik net zo goed voor een krant of ander media gaan werken.
Lopend/slenterend door de bossen van Krzemionki kwam ik gaten tegen die qua grootte deden denken aan de toegangsschachten uit de prehistorie. Ze waren minder begroeid en de randen leken wel omheiningen, zo hoog waren de losgewerkte stenen opgestapeld. Ongeveer anderhalve meter diep, rond en in het midden een klein
platform waardoor de omgeving ervan wel leek op een afwateringsring. De “omheining” was op diverse plekken onderbroken. Nee, dit was niet het werk van de voorouders, maar van niet al te lang geleden. Het moest met de Tweede Wereldoorlog te maken hebben. Een optelling voor een Duits anti-tank kanon, de 7,5 cm Pak 40 kanon (7,5 cm Panzerabwehrkanone 40), vooral ingezet tegen de Russische tanks. Gaten in de stelling waren gemaakt om in diverse richtingen te kunnen schieten.
Een eindje verder bevestigde een bord mijn vermoeden. In de zomer van 1944 waren de Nazi’s begonnen om door heel Polen -van noord naar zuid- een verdedigingslinie aan te leggen. Maar door het snelle oprukken van het Rode Leger kwam het nooit tot gevechten rondom Krzemionki. Direct na de zegevierende, oprukkende Russen werden vele stellingen dichtgegooid. In het gebied van de schachten zijn er gelukkig enkelen bewaard gebleven. Ook dat is geschiedenis, helaas uit een tijd waar we niet zo graag aan herinnerd willen worden. Af en toe lees ik weer eens dat in Nederland een bunker in de weg staat, plaatsmaken voor een supermarkt (b.v. Julianadorp in Noord-Holland). Weer een stuk geschiedenis uitgewist. De Verteller van het Oude begrijpt het niet! Gelukkig gaan ze in Polen er toch een beetje anders mee om.
Verteller van het Oude duikt onder!
Nee, niet vanwege een paniek aanval of een Russische dreiging, maar vanwege de indrukwekkende vuursteenmijnen rondom het terrein van het archeologisch museum in Krzemionki. Samen met mijn
mede vuursteenkloppers kreeg ik eindelijk de gelegenheid ze te bezoeken. Zonder een gids mag men er namelijk niet in en omdat het hier vakantie is en daardoor vele groepen zich aangemeld hebben voor deze bijzondere ondergrondse excursie, werd mijn geduld drie dagen op de proef gesteld. Uiteindelijk werd er een gaatje gevonden en kon ik afdalen in een van de meest beroemde vuursteen mijnen ter wereld. Natuurlijk staat ze op de UNESCO werelderfgoed lijst. Nog niet zo lang overigens, de mijnen werden pas in 1922 door Jan Samsonowicz ontdekt. De geoloog deed onderzoek naar aardlagen in de omgeving en ontdekte in het met bossen overgroeide terrein ondiepe, overwoekerde kuilen. Hij zag er onmiddellijk het werk van de prehistorische mens in. Gelukkig maar!
Na opmeting bleek het gebied iets meer dan 78 hectare te omvatten. Een oppervlakte van een gemiddeld Drents dorp, misschien zelfs wel twee!
De breedte van de menselijke activiteit varieert van 25 tot 200 meter, maar dan wel over een lengte van 4,5 kilometer!
De vuursteen winning vond plaats tussen het Neolithicum (Trechterbekercultuur!) en de vroege Bronstijd, grofweg tussen 3900 v. Chr. en 1600 v. Chr. Daarna werd er niet meer gedolven en raakte het overwoekerd. In recentere tijd kwam het in handen van een baron die het op zijn beurt verkocht aan boeren. Zo ontwikkelde zich het gehucht Krzemionki.
Terug naar de mijnen. Zo’n 150 miljoen jaar geleden ontstond het krijt en de vuursteen, in het late Jura tijdperk. In drie verschillende, vrij horizontaal lopende lagen bevindt zich het vuursteen. Dit verklaart ook gelijk waarom de putten zo verschillend van diepte zijn. De eerste band ligt op ongeveer twee meter onder de oppervlakte, men gaat ervan uit dat de eerste delvers verantwoordelijk voor de ondiepe putten zijn. De archeologen onderscheiden nog drie andere mijnbouw diepten. De meest interessante zijn zij die ongeveer negen meter onder het oppervlakte liggen. Een vrij brede schacht werd naar beneden gegraven, door de compacte krijt laag heen. Vervolgens werd er een gang gegraven die de band met vuursteen volgde. Anders dan in de vuursteenmijn van het Limburgse Rijckholt liet men hier geen/nauwelijks pilaren staan om de gang te ondersteunen. De laag erboven was hard genoeg om de nauwe gang (max. ± 90 cm) niet te laten instorten. De lengte van de dus veelal horizontale gang bedraagt
van nauwelijks twintig meter tot soms wel enkele honderden meters! En dat allemaal op hun rug/buik liggend, werkend met primitieve materialen, omgeven door een wolk van krijtstof bij het licht van brandende toortsen. Dit laatste valt af en toe nog waar te nemen doordat de roetdeeltjes in het krijt zijn getrokken en bruin/grijze vlekken daarin hebben achtergelaten.
Van dit alles had ik geen last. Afdalend met een lift (jaja, de tijden zijn veranderd), klopte mijn hart vol verwachting. Op de bodem aangekomen stond ik in een bijna twee meter hoge gang (bukken was toch nog nodig) die gelijk een bocht maakte. Wat ze hier heel mooi gedaan hebben is dat de nieuwe, toeristische gang diverse prehistorische gangen verbind. Niet in een rechte lijn, nee ze volgt het spoor van de prehistorie en het vuursteen. Je kunt regelmatig kiezen uit de te nemen afslag. Verdwalen is echter onmogelijk. In een van de secties dalen we iets dieper, hier is de prehistorische uitgehakte gang als het ware gecoupeerd. Nergens ter wereld ben ik zo dicht bij de voorouders geweest als hier. Nu pas valt
eigenlijk op hoe de werkwijze is geweest en onder welke moeilijke omstandigheden er gewerkt is. Bewondering en respect maakte zich meester van mij. Mijn pad was goed verlicht, in sommige gedeeltes had men expres gekozen voor een iets mindere verlichting. Nog indrukwekkender. Pas op uw hoofd, grote mens!
Door de lage temperatuur -zeven graden- en de hele hoge luchtvochtigheid voelt het natuurlijk fris en bedompt. Voordeel is dat in de 465 meter(!) lange ondergrondse toeristische gang het vuursteen nat blijft en daarmede haar prachtige kleur tentoonstelt. Van het schitterend gestreepte vuursteen werden voornamelijk bijlen en dissels gemaakt. Ze zijn terug gevonden op een afstand van meer dan 600 kilometer van Krzemionki, kunt u nagaan hoe gewild ze waren..
In totaal zijn meer dan 4000 schachten ontdekt, slechts een klein deel ervan is opgegraven. De afgelopen jaren hebben de archeologen voornamelijk met grondradar gewerkt om alles in kaart te brengen. Het voornemen is om in een ander gedeelte van het terrein weer op te gaan graven. Kleinschalig en met gebruikt makend van de modernste technologieën. Ik heb mijn kaartje afgegeven. Deze pensionado heeft tijd genoeg!
Onze groep was te groot. De afstand tot de gids ook. Dat was eigenlijk het enige minpuntje. Jammer dat ik niet langer in de mijn kon blijven, de volgende groep stond alweer te dringen. Maar respect voor de wijze waarop men de mijn toegankelijk heeft gemaakt. Maar een lift????
In één van de gangen is een prehistorische tekening in de wand gevonden. Diverse strepen staan ogenschijnlijk kris kras bij elkaar. Iemand van onze groep zag er een mensfiguur in, ik houd het op een planmatige tekening. Twee lange gangen, elkaar kruisend en een viertal zijgangen. Wat het ook moge zijn, tegenwoordig vormt ze het logo van het museum. Een soort eerbetoon aan onze voorouders.
Krzemionki ligt in een prachtig natuurgebied waar de wielewaal en de hop het mooiste lied zingen. Dus, mocht u nog geen vakantie plannen hebben …..
Nieuws mei 2025
International Flintknapping Symposium 2025 part two
Het gisteren verzamelde vuursteen bleek niet van een erge goede kwaliteit. Had ik het geweten, dan was ik nog even langs de kust gereden om langs de krijtrotsen uitgespoelde vuurstenen te verzamelen. Aan die kwaliteit ben ik gewend.
Niet echter de deelnemers hier, tot mijn grote verbazing maakten ze er de prachtigste voorwerpen van. De een nog mooier dan de ander. Bijlen, speerpunten, sikkels, en ga zo maar door. Alles met een
vakmanschap waarvan ik betwijfel of de prehistorische mens deze hoogte ooit heeft bereikt. Als u me zou vragen wie het mooiste artefact heeft gemaakt, zou ik die vraag niet eens kunnen beantwoorden.
Ik zou er in ieder geval niet voor in aanmerking komen. Mijn vuistbijlen en pijlpunten behoeven nog meerdere jaren van deskundige begeleiding. Maar daar ging het me niet om, de techniek dat is het belangrijkste. En die kon ik hier prima afkijken, bovendien waren vele mede-kloppers bereid om geduldig uitleg te geven of mij te begeleiden.
Voor het eerste in mijn jonge oudere leven heb ik gewerkt met stukken Helgoland vuursteen. Voor de niet ingewijden, paars/rood vuursteen met witte vlekjes erin, alleen voorkomend bij Helgoland(!). Ik kreeg -als een niet zo deskundig vuursteenbewerker- een paar afvalstukken. Zelden heb ik met meer plezier er een
aantal afslagen vanaf gehaald. Ik weet zeker dat mijn archeologische vriendjes zich nu thuis in Nederland zitten te verbijten. Hadden ze namelijk ook graag zelf gewild.
Tussen de crème de la crème van vuursteen bewerkers zou Ernest Mols vandaag niet in de top tien zijn geëindigd, zo hoog was het niveau.
Dat de organisatie ietwat weinig communiceert, maakt het hier af en toe een beetje chaotisch. Valt ook niet mee met al die nationaliteiten!
Terwijl ik dit type overvalt mij de vermoeidheid. Ik ben het niet gewend om vuursteen te bewerken van negen tot 18.00 uur. Maar toch zo meteen even naar de BBQ, want meppen op vuursteen maakt hongerig.
We werken op het terrein van het museum in Krzemionki. Het is schoolreisjes tijd hier in Polen hetgeen
me af en toe terug laat verlangen naar mijn leraarschap. Heerlijk met de leerlingen van groep 8 naar Ameland. Of een bezoek aan vuursteenbewerkers een goed uitje is hier, betwijfel ik. De groepen -en het waren er velen- passeerden ons op volle snelheid, de Verteller van het Oude geen gelegenheid gevende om een van zijn verhalen af te steken.
Eigenlijk werken we bovenop de oude vuursteenmijnen. Het is dan ook ten strengste verboden om afslagen achter te laten. Ze zouden eens verwisseld kunnen worden met de originelen!
Een eindje verderop staan nagebouwde prehistorische huizen. Er wordt volop gewerkt om het terrein zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Voor mij is ze dat nu al. Morgen vervolgen we onze bezigheden, vooraf gegaan door een bezoek aan het museum en de vuursteen mijnen. Tien uur is de afspraak. Zal wel weer veranderd worden!
International Flintknapping Symposium 2025
Een dure naam voor een bijeenkomst van liefhebbers van het bewerken van vuursteen. Eéns in de zoveel jaar -de laatste was net voor de Corona periode- wordt zij georganiseerd. Dit jaar in Polen. Als groot liefhebber van de silicium producten toog de Verteller van het Oude vanuit de Baltische Staten er naar toe. Niet dat ik de deelnemer was die het verst gereisd had, verre van dat. Vanuit de hele wereld toog men naar het wereldberoemde gehucht, zelfs vanuit de Verenigde Staten waren drie mensen aangereisd. Ook China was vertegenwoordigd. Uit het gastland kwam slechts één persoon. Nederlands bekendste vuursteenklopper, Ernest Mols, was samen met zijn vrouw Josée aanwezig.
Vandaag op de eerste dag volgde, na een korte kennismaking een trip langs diverse plaatsen waar we vuursteen verzamelden. Poeh hé, wat zijn hier vele soorten, de een nog mooier dan de ander. Helaas werkte het weer niet mee, alsof de goden iets tegen ons werk hadden. Het werd een tocht vol smurrie en glijpartijen, terwijl ik dit type staan mijn schoenen etc. nog te drogen voor de kachel. Het verkleumde lijf is inmiddels opgewarmd en de oortjes vertonen een roezige rode kleur. Medelijden hoeft u niet te hebben. De eerste plek leverde een mooie hoeveelheid Chocolate Flint op. Vertalen is niet nodig, een uitleg wel. Op het eerste gezicht is het zwarte vuursteen, maar sla er een stukje vanaf en houdt het tegen het licht en de bruine kleur van het overheerlijke product komt tevoorschijn. Echt een topper. De tweede in deze categorie is de Swieciechow flint, vergeef me want er bestaat geen Nederlandse
benaming voor en uitspreken en begrijpen kan ik het Poolse woord niet. In ieder geval is het grijs vuursteen met stipjes erin. Op de akker naast de vindplaats had ik het geluk een paar echte afslagen te vinden. Oordeelt u zelf. Ik vind het een mooie soort.
De bedoeling is om morgen en overmorgen de gevonden stukken te gaan bewerken. Tussen ons deelnemers zitten een aantal specialisten waarbij de amateuristische pogingen van uw schrijver schril afsteken.
Beroemd werd Krzemionski door haar vuursteen mijnen. Meer dan 4000 schachten zijn er op dit moment ontdekt, daterend vanaf het Neolithicum tot ver in de Bronstijd. Ik ga deze zeker voor u -eigenlijk voor mijzelf- bezoeken.
O ja, publiek is welkom. U moet wel een beetje haast maken.
Hühnergötter !!??
Ja, geloof me. Ze bestaan echt, “kippengoden”!
Ik had er echter nog nooit van gehoord totdat mijn Duitse buurvrouw op de camping -Tüja, Letland- mij erop attent maakte.
Het blijkt een diep geworteld geloof te zijn van m.n. boeren om ze op te hangen in voornamelijk het kippenhok, maar ook in de stallen van het andere vee, om ze te beschermen tegen boze geesten, ziektes en ongeluk. De stenen zouden magische krachten bezitten welke het kwade deed verdwijnen en het goede binnen liet komen. Velen hingen ze daarom ook aan de huisdeuren. Een echte geluksbrenger dus!
Maar hoe zien ze er dan eigenlijk uit. Het zijn stenen met een natuurlijk gat erin, meestal uitgesleten door water, wind en zand. Ze mogen dus absoluut niet geboord zijn.
In gebieden met veel vuursteen zijn ze niet zeldzaam. Immers door de restanten van krijt konden gemakkelijk diertjes kruipen (graven) waardoor een natuurlijk gangetje ontstond. Als vuursteenman weet ik daar alles van. Echter hier is vuursteen zeldzaam en daarmede ook de “kippengoden”.
In sommige streken van Duitsland (m.n. het Noorden), in Polen, Denemarken en Engeland zijn ze populair. In het laatste land worden ze “hag stones” of “witch stones” genoemd. Door het gat kijkende, kon je geesten zien. Hoe klein ook de steen, ze had zeker (?) beschermende werking. Tegen nachtmerries of heksen. Mocht u niet goed slapen, hang dan een “kippengod” aan een koortje boven u bed. Rust en geluk zal u toekomen.
Vandaag toog ik er maar eens op uit, tussen o.a. de grote granieten, amfiboliten, gneisen, kwartsieten (voor de niet-kenner; het zijn allemaal steensoorten) vond ik een paar. Om het zekere voor het onzekere te nemen heb ik er eentje in mijn wagen opgehangen aan een sleutelhanger.
Bijgeloof is ons Nederlanders ook niet vreemd. Denkt u maar eens aan de oude traditie om hoog in nok van een Drentse boerderij een stenen bijl uit de prehistorie te hangen. Het zou boze geesten afweren en de bliksem ergens anders doen inslaan. Stenen met een gat erin worden bij ons ook als geluksbrenger gedragen. Een andere naam hebben ze niet.
Over een paar weken als ik weer thuis ben, zal ik u berichten of mijn “mooie kippengod” ook geluk gebracht heeft.
Afgunstige hunebedbouwers?
Ik weet zeker dat onze hunebedbouwers jaloers zouden zijn. Wat een zwerfkeien ben ik in Litouwen en Letland tegen gekomen. Jammer voor onze voorouders, deze hebben Drenthe niet bereikt. Toch heeft de
hedendaagse mens ook wat met de grote keien gedaan. Hier zijn heel veel huizen omheind met deze joekels, ze zijn er zelfs van gebouwd, men heeft er picknick plaatsen van gemaakt, zomaar op een hoop gedumpt, gebruikt voor bescherming tegen de zee en soms kunstwerken van gemaakt. Straten mee aangelegd en duikers onder de weg door mee afgewerkt.
Onderweg naar de kruisheuvel -zie vorig artikel- kwam ik wel een heel apart werk tegen. Ik heb zoiets
nog nooit gezien en weet niet waarvoor het diende. Er was wel een inscriptie bij geplaatst, maar het duurt nog wat jaartjes voordat ik de taal machtig ben. Oordeelt u zelf, ik was in ieder geval onder de indruk!
En o ja, als u denkt dat ze niet echt zijn, dan heeft u het mis. De schaafplek op mijn hand bewijst het.
Verder valt het in de twee eerder genoemde Baltische Staten knap tegen wat archeologie betreft. Nog geen museum op dat gebied tegengekomen. Misschien heeft iemand een tip?
Morgen maar weer een tochtje op de fiets, hopelijk is het eindelijk beter weer en kom ik nog een paar kunstwerken tegen.
Kruisheuvel, een gedenkplek
Ik lees de commentaren alweer. “Ben je ineens diep religieus geworden?”
En wat dan nog, iedereen mag wat mij betreft geloven wat hij/zij wil. De plek waar ik vandaag geweest ben, staat voor dezelfde mening. Niet alleen als het gaat het om religieuze vrijheden, maar juist om alle vrijheden. Bovendien is het een herdenkingsplaats.
Ik zal het u met genoegen uitleggen.
Zoals in één van mijn vorige verhalen al gememoreerd kent Litouwen een gewelddadige geschiedenis. Diverse malen heeft ze geprobeerd onafhankelijk te worden van een overheerser. Meestal waren het Russen of Duitsers waar tegen gevochten werd.
In 1830 en 1863 -voor de zoveelste keer- vochten de Litouwers weer voor hun vrijheid. Beide malen tevergeefs. De lichamen van de “helden van het land” konden niet meer met zekerheid geborgen worden. Ter nagedachtenis aan zovele naamloos rustenden, plaatsten familieleden kruisen -met daarop de naam van de gevallene- bovenop een heuvel.
We maken een sprongetje in de tijd. Na de Eerste Wereldoorlog werd Litouwen kortstondig onafhankelijk. De heuvel met de kruisen werd een plaats waar gebeden kon worden voor het land. De vrijheid was echter van korte duur. De komende twee jaar brachten (vrijheids)strijd dood en verderf over het land. Er verschenen meer kruisen voor gevallenen rondom de heuvel.
In 1944 werd het land voor langere tijd bezet door de Russen (tot 1990). De kruisheuvel werd een plek voor de eigen Litouwse identiteit, waarbij religie zeker een grote rol zal hebben gespeeld. Heden ten dage is nog steeds 90% van de bevolking Katholiek.
In moeilijke tijden -en dat was het tijdens de Russische bezetting- trokken de inwoners van het land massaal naar de heuvel. Steeds meer kruisen werden er geplaatst. Zeker ook ter herinnering aan alle door het Stalinistische regime omgebrachte strijders.
Natuurlijk was dit een doorn in het oog van de Russen. Zij bedachten een plan om de rivier om te leiden en daarmede de heuvel onbereikbaar te maken. Toen, mede vanwege de kosten, het plan onuitvoerbaar bleek, besloot men bulldozers in te zetten. Tot twee maal toe zelfs. Meer dan 2000 kruisen werden platgeschoven. Het hielp uit Bolsjewieks standpunt niets. De Litouwers bleven komen en richtten nieuwe kruizen op. Ik heb geprobeerd de oudste kruizen terug te vinden. Helaas niet gelukt, ze zullen er wel niet meer zijn.
Uiteindelijk gaven de Russen het op. Vijftigduizend kruizen bleven staan!
De eerste Poolse (en enige) Paus, Johannes Paulus II bracht in 1993 een bezoek aan zijn moederland en Litouwen. Hij leidde vanuit een kapelletje bij de Kruisberg een mis ten overstaande van 100.000 gelovigen (!). Hij noemde het een plek van hoop/liefde en opoffering.
Tegenwoordig mag iedereen ter nagedachtenis aan iemand of een bevolkingsgroep er kruisen plaatsen. Ik kwam een kruis tegen in loving memory of the Holocaust slachtoffers, weer anderen herdachten de genocide op de Armeniërs, terwijl het bescheiden kruisje ernaast voor om en tante van deze of gene was.
Tegenwoordig weet niemand meer hoeveel kruisen er staan, het is een beetje een wildgroei geworden. Kruisen verdringen elkaar, elk kruis moet op de mooiste plek. Althans die indruk kreeg ik. Op deze ‘gewone” zaterdag was het een komen en gaan van mensen, hele families.
Ik heb mij vergaapt aan de diversiteit, aan de houdsnijwerken, aan de teksten en aan de rust en vrede die de Kruisberg uitstraalt.
In het begin van dit artikeltje heb ik de verloren veldslagen als reden voor plaatsing van de kruisen gegeven, dat klopt, maar in de 14e eeuw schijnt er een kasteel te hebben gestaan waarvan de bewoners zich verzet hebben tegen de overheersers. Ook toen al.
Kruisheuvel, Siaulilai. Filmpje
U vindt de kruisberg als u door Litouwen rijdt, over de doorgaande weg naar Riga, bij het plaatsje Siauliai.
Barnsteen, een koude gewaarwording
Thuis achter de computer -mijn trip voorbereidend- lijkt het allemaal zo gemakkelijk. Miljoenen en miljoenen stukjes barnsteen zijn er al gevonden, het is vast niet zo moeilijk. Helaas, het is wel zo.
Op dit moment verblijf ik op de Koerse Schoorwal, een lange smalle landtong gevormd door afzetting van zand, in het plaatsje Neringa Nida. De helft van de schoorwal behoort toe aan Litouwen, de andere aan Rusland. Laat nu daar helaas de grootste voorkomens van barnsteen/amber liggen. Op grote schaal -en op grote diepte- is hier eeuwenlang het al sinds de prehistorie gewilde goedje gedolven. We moeten ongeveer 40 miljoen jaar terug in de tijd. Het klimaat is tropisch en de hars druipt uit de naaldbomen, vloeibaar als ze is. Temperatuur verandert, het wordt kouder, de hars is gestold en bedekt met lagen aarde. Vereenvoudigd ziet het ontstaan van barnsteen er zo uit.
Op verschillende plekken in de wereld komt barnsteen voor. Zelfs in Zuid-Amerika, daar heeft ze een groenige kleur.
Over kleur gesproken. Mij spreekt de fel gele stukken het meest aan. De kleur van barnsteen is afhankelijk van de tijd dat ze aan lucht is blootgesteld. Er omheen ontstaat een dun schilletje, de kleur is pas zichtbaar als de amber -zoals barnsteen ook wel genoemd wordt- gepolijst is. Wanneer de vinder van een groter stuk geluk heeft, bevindt zich binnen in het hars een insluitsel uit lang vervlogen tijd. De mooisten zijn die brokken met insecten en als ze dan ook nog fel geel zijn; wouw!
Daar kwam ik voor, wel wetend dat de kans hierop minimaal is. Ik moest het hebben van aangespoelde stukjes op het strand. Gosse Kerkhof -archeologisch maatje- had jaren geleden met een schepnetje in het water gestaan en diverse stukjes eruit gevist. “Ga op zoek naar donker water”, luidde zijn tip. De laag waar barnsteen uitkomt heeft een veel donkere kleur. Af en toe spoelt de zee stukjes los. Hij had geluk, ik minder.
Met mijn roze schepnetje in de rugzak toog ik op het fietsje naar het strand. De zon scheen eens een keer en de temperatuur liep op naar 8 graden. In schril contrast met de tweeëntwintig thuis. Het water was
donker, precies zoals Gossé beschreven had. Zwembroekje en waterschoentjes aan en scheppen maar! Helaas; de wind wakkerde aan, de golven werden voorzien van beangstigende schuimkoppen, ik liep bibberend van de kou de branding uit. Geen enkel stukje gezien. Terwijl ik me mokkend afdroogde, viel mijn oog ineens op een geel stukje. Daar lag ze! Mijn eerste -en enige- stukje amber. Eerst kon ik het niet geloven, een bekertje gepakt en deze gevuld met zeewater, klompje erin gedaan. Ze bleef drijven. Er is veel onecht barnsteen op de markt, dit is de test, echt barnsteen blijft in een beetje zout water drijven. Dat is de reden waarom af en toe een stukje op onze Waddeneilanden aanspoelt.
Enfin, missie geslaagd! 2800 kilometer van huis, ontberingen doorstaan, ik was trots op mijzelf. Bedenk dit bij uzelf wanneer u de foto van mijn stukje uitvergroot! Ze is klein -super klein- maar daarom niet minder mooi.
Gelijk een foto naar mijn archeologische vrienden gestuurd die op dit moment aan het opgraven zijn. Het commentaar van één van hen: ”Ik kan ‘m niet vinden!”
In Nida is een alleraardigst museum over barnsteen. Fantastisch uitgestald en belicht. De kleuren komen dan helemaal tot leven! Het is hier dat ik een stuk van een kilo in mijn handen kreeg. Ze was een aantal jaren geleden opgevist. Net als het
grootste stuk wat ooit het licht in de Baltische Staten heeft gezien. Deze weegt 3,8 kilogram, een joekel van een droom! Ook in het museum te bewonderen.
In het eerder genoemd stadje stond een kraampje met amber, door een oude moeder en haar zoon bemenst. Hij probeerde me gelijk een klomp voor €2,- per gram te verkopen. Ze woog 300 gram. Moeder beheerde de strandvondsten. Zakje voor €8,-. gekocht, kan ik thuis toch een beetje opscheppen.
Niet verder vertellen!
Kamperen op afslagen
“Afslaaageh”, plecht een bekend Gronings amateurarcheoloog met gedraaid sikje te zeggen. Iedere zoeker heeft er duizenden en duizenden gevonden. Even snel kijken of er bewerking aan zit en hup in het zakje bij de anderen. Haast achteloos en zonder veel respect. Duizenden in een dozijn.
Bij nadere bestudering kunnen we de techniek en de gedachtes erachter van de maker proberen te
reconstrueren. Meestal doen we dat niet, “Weer één!”, schiet er door je heen. Schrabbers, klingen, pijlpunten, bijlen en (als u geluk heeft) vuistbijlen krijgen de voorkeur. De opsomming is niet volledig en volkomen willekeurig.
Maar enfin. Op 4 mei (!) stond ik geparkeerd op een tot camping omgebouwde legerbasis (!) in het Noord-Duitse plaatsje Silberstedt (metaal detector vergeten!). Druilerig en koud weer! U begrijpt dat ik niet vaak buiten kwam, lekker de kachel aanhad en in afwachting van Dodenherdenking was. Later vroeg naar bed en ’s morgens met de kippen van ’t stok. Ik wilde de fiets van mijn gewaarde camper halen, toen me het kiezelbed opviel. Ertussen lagen afslagen!! En niet zo’n klein beetje ook. Binnen enkele tellen had ik er minstens tien verzameld. Er zat zelfs een schrabber tussen.
Hoe het komt dat de kiezels en het archeologisch materiaal gemixt zijn is mij een raadsel. In ieder geval werd ik aangenaam verrast door de afslagen!
Haithabu – Levende Vikingen
Ongeveer driehonderd jaar lang (van 800 tot 1100 na Chr.) beheersten de Vikingen in Haithabu de handel
tussen de Oostzee en de Noordzee. Strategisch gelegen aan de Sleich werd tol geheven, waardoor haar inwoners – tussen 1000 tot 1500 personen- leefden in welvaart. Vanuit de hele wereld kwamen er goederen binnen, vanuit het Middellandse Zee gebied, uit het gebied van de Roezen (Rusland) en verder uit heel Europa.
Uiteindelijk werd het grote dorp verwoest en platgebrand door rivaliserende Noormannen. Nooit werd het weer opgebouwd, haar voormalige bewoners zochten elders een veilig onderkomen. De restanten van het dorp werden bedekt door een laag slib. Gelukkig maar, daardoor werd ze voor de toekomst geconserveerd. Diverse opgravingen tot aan 2017 hebben een groot deel van dorp tijdelijk blootgelegd. De huizen konden worden gereconstrueerd, duizenden en nog eens duizenden vondsten werden er gedaan. Lokaal gemaakte gebruiksvoorwerpen tot waardevolle import producten. Zelfs rijke Viking graven!
Vandaag fietste uw “verslaggever” over hobbelige fietspaden onder het voortdurende gebeuk van stevige hagel en regenbuien, naar Haithabu.
Desondanks heb ik er geen spijt van. Het museum, gebouwd bij het water, is voor iedereen de moeite waard. Of u nu archeologisch bloed heeft of gewoon nieuwsgierig naar de levensomstandigheden van meer dan 1000 jaar geleden bent, u komt aan uw trekken. Prachtig zijn de animaties, schitterende ingerichte vitrines met de mooiste vondsten, heel educatief en -niet onbelangrijk- vriendelijk personeel.
Na gescholen te hebben voor weer een hagelbui, toog ik verder naar het openlucht museum. Gelukkig is een deel van het dorp gereconstrueerd en open gesteld voor bezoekers. Enthousiaste vrijwilligers, gekleed in kostuums uit de Noormannen tijd, demonstreren ambachten die al lang tot het verleden behoren. De gebouwen en hun interieur zijn zorgvuldig nagebouwd. Lopend naar de aanmeer steiger voor drakenschepen kon ik maar één ding bedenken: “Ik wil graag eens een kijkje nemen in het verleden”. Helaas is dat niet mogelijk, maar mijn trip komt er dicht in de buurt!!
Het Kristal
Een passende naam voor de bekende fossielen en mineralen beurs, georganiseerd door de Groningse
vereniging met dezelfde naam. Dit jaar voor de veertigste keer!
De laatste tien jaar zijn wij van ArcheoFlint (=Meesters in het bewerken van vuursteen) er telkens aanwezig geweest. Niet alleen om te smullen van de prachtige stands, maar ook om het publiek te vermaken met demonstraties en de bezoekers de eerste vaardigheden in het bewerken van vuursteen bij te brengen.
Wij mogen ons ieder jaar weer verheugen op een grote belangstelling van veelal zeer jeugdig publiek. Allemaal willen ze een speerpunt, bijl of pijlpunt maken., terwijl hun ouders in alle rust kunnen rondkijken.
Aan het eind van de dag zijn we moe, erg moe kan ik wel zeggen. Geen moment rust, maar u hoort ons niet klagen. We hebben het meest dankbare publiek. Jonge kinderen die trots zijn op hun eigen prestatie en met iets moois naar huis gaan. Volgend jaar maar weer!
Barnsteen vondst uit het Mesolithicum
Het is een misvatting dat u barnsteen alleen kunt vinden langs de Oostzee kusten. U hoeft niet zover te reizen, ook in ons land komt barnsteen voor. Maar voor we daar dieper op ingaan; “Wat is barnsteen”?
Eigenlijk is het niet meer dan versteende (gefossiliseerde) hars van naaldbomen. Als het afkomstig is van de Baltische Staten is het tussen 30 en 40 miljoen jaar oud. Pas in de loop van de 18e eeuw kwam men erachter wat barnsteen precies was, daarvoor werden er allerlei, meest fantastische verklaringen gezocht. Gestold petroleum, gestolde honing etc.…
Barnsteen is zacht, het heeft een hardheid van 2 tot 2,5 en daardoor gemakkelijk te bewerken. De kleur van amber -zoals de Engelse benaming luidt- is geel tot donkerrood. Komt ze echter in contact met zuurstof dan treed er oxidatie op waarbij zich om de barnteen een korstje vormt. In koud zeewater drijft barnsteen, op de Nederlandse kusten wordt met enige regelmaat barnsteen aangetroffen, meegevoerd door de golven. Deze is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de het gebied tussen Polen en Litouwen. Verder landinwaarts treft men in groeves en op stuwwallen ook het felbegeerde goedje aan. Door de diverse ijstijden werd ze naar ons land vervoerd. Ook de Eridanos en diverse smeltwaterlopen in het Noorden van ons land vervoerden barnsteen.
De prehistorische mens had dus de mogelijkheid om barnsteen te verzamelen, hetgeen toetertijd niet eens zo moeilijk moet zijn geweest.
Het meest aansprekende voorbeeld is het prachtige kralensnoer van Exloo. In een graf uit de Bronstijd werd ze gevonden, bestaande uit diverse kraalsoorten waaronder exemplaren gemaakt van barnsteen.
Ik stond verbaasd te kijken toen tijdens een onderzoek van een Mesolithische site, een stuk barnsteen tevoorschijn kwam. Ze meet ongeveer 3 cm bij 2,5 cm en is 0,7 cm dik. Door een paar scheurtjes in de korst kon ik zien dat ze fel geel van kleur was. Het gewicht bedroeg 3 gram. Helaas was er geen menselijke bewerking te zien, dat zou helemaal een hoogtepunt zijn. In Nederland wordt zelden een exemplaar van meer dan 1 cm in doorsnede aangetroffen. Het opgegraven stuk barnsteen wordt daarmede nog unieker en laat de fantasie over de herkomst en de bedoeling van de verzamelaar prikkelen!
Website Swifterbandcultuur
Een tijdje geleden ontving ik van mevr. Renata Kolk het volgende bericht:
Flevoland heeft er een digitale schatkamer bij! Met de lancering van www.swifterbantcultuur.nl krijgen
geschiedenis- en archeologieliefhebbers nu een unieke kans om zich te verdiepen in één van de oudste culturen van Nederland: de Swifterbantcultuur.
Deze archeologische cultuur (ca. 5000-3400 v.Chr.) speelde een sleutelrol in de overgang van jagers-verzamelaars naar landbouwers en vormt daarmee een cruciaal hoofdstuk in de Nederlandse prehistorie. Hoewel de naam verwijst naar Swifterbant in Flevoland, reikte de invloed van de Swifterbantcultuur veel verder en zijn er sporen gevonden in grote delen van Nederland, België en Noord-Duitsland. Deze website, ontwikkeld door twee enthousiaste Flevolanders, biedt een diepgaande blik op het leven van de eerste landbouwers die hier duizenden jaren geleden leefden.
Vol verwachting opende de Verteller van het Oude de link naar de website. En inderdaad, een schat aan informatie en verhalen! Absoluut de moeite waard om een kijkje hierop te nemen.
Voedsel uit de prehistorie
Ik sta er iedere keer toch weer verbaasd van hoeveel interessante tentoonstellingen het “Oermuseum” in
Diever organiseert. Men beschikt niet eens over echt veel vrijwilligers, maar wel mensen met een grote inzet en kennis.
Voor dit jaar is het thema: “Oereten, van vuur tot voedsel”.
Deze smulpaap trok opgetogen naar de opening -verricht door burgemeester Jouke Spoelstra- van de tentoonstelling. Ik was niet de enige, het museum kon zich verheugen op grote schare aan belangstellenden. En daar was alle reden voor. De permanente tentoonstelling is al de moeite waard, maar die over voedsel is zo mogelijk nog leuker.
De gasten, waaronder uw langzaam uitdijende Verteller van het Oude, deden zich te goed aan allerlei hapjes uit lang vervlogen tijd. De expositie over voedsel en haar bereiding in de prehistorie is absoluut een bezoekje waard.
Ik ben benieuwd waar ze het komende jaar weer mee komen.
Op zoek naar de hunebedbouwers
Op dit moment graven archeologen van het Bureau BAAC langs de N34 bij Gieten. Er wordt 3,2 ha vlak dekkend onderzocht. Er zijn sporen en vondsten te verwachten uit het midden en laat Neolithicum. Dus o.a. uit de periode van Trechterbeker cultuur. Een periode die zeer tot de verbeelding spreekt, ook bij mij. Dus trok ik vol verwachting naar de opgraving. Een uiterst kundige kraanmachinist had al diverse putten voorzichtig open gelegd. Helaas viel het aantal sporen tot dusver tegen. De “hotspot” was nog niet ontdekt. Maar archeologie is ook een kwestie van geduld. De locatie is fantastisch, alle ingrediënten voor een succesvolle opgraving zijn aanwezig.
Wat mij bijzonder opviel was het grote aantal vrijwilligers van de AWN en de DPV die hun diensten ter beschikking stelden. Mooi dat geïnteresseerden de gelegenheid geboden wordt om hun kennis en vaardigheden te vergroten.
Binnenkort nog maar eens terug.
Nieuws maart 2025
Rare vogels in het veld -2- “Achter de zeef”
“Jullie lijken wel Monniken!”, was één van de meest gehoorde opmerkingen. Weer een ander vond ons
meer gelijken op slagers die staan te wachten op hun slachtoffer. “Hé Anne, je jurkje zit verkeerd!”, etc. etc. etc.
Nog nooit zoveel commentaar op mijn uitrusting gehad, terwijl ze toch erg praktisch is. Het zeven van grond met behulp van water is behalve een natte ook een tamelijk smerige aangelegenheid. Onze dikke en lange schotten behoeden Jan en mij voor het zijn van onherkenbare mannetjes die overal waar ze verschijnen met achterdocht bekeken worden.
Smerige kereltjes die archeologen! Hoewel ze er op de foto stralend uitzien.
Kloosterveen en Ahrensburg
De gemeente Assen heeft een kinderraad, welke bestaat uit 33 kinderraadsleden en 1 kinderburgemeester. Net zoveel als de ‘volwassenen’ gemeenteraad. De raad wordt samengesteld met kinderen van alle basisscholen in Assen. De basisscholen van Assen wijzen zelf een vertegenwoordiger aan die namens de school zitting neemt in de kinderraad. een kinderraad. Naast het kennismaken met de gemeenteraad, participatie, democratie en burgerschap, heeft de kinderraad als doel om daadwerkelijk tot beleid te komen. (overgenomen van hun website – ATB)
De KR. werd gevraagd om mee te denken over de naamgeving van een eiland in de nieuwe wijk van Kloosterveen. Bovenop komen speeltoestellen voor de kinderen van de wijk, onderop ligt onder meters dikke opgebrachte grond een perfect bewaard gebleven kampement uit de Ahrensburg cultuur -de eerste en meest complete in Drenthe-. Drie jaar geleden heeft de Verteller van het Oude het genoegen gehad om mee te werken aan een opgraving op het terrein. Pluim voor de gemeente Assen en de ontdekker van de site -Jan van Rijn- voor de creatieve oplossing van behoud van de site. Persoonlijk zag ik het liever een natuurlijk begroeide heuvel blijven. Maar ach, het belangrijkste is dat de Ahrensburg site bewaard blijft voor de toekomst.
En de naam: OEREILAND.
Rare vogels in het veld -1- “Het tasje van Jan”
Amateurarcheologen lopen meestal in de koudere periode van het jaar over het land. Logisch, de
gewassen staan er niet meer op. Om zich te beschermen tegen de elementen heeft een ieder zo zijn eigen methodes. Het hoeft niet charmant te zijn als het maar tegen de kou en andere weersinvloeden helpt. Het kopje boven dit artikel krijgt zeker een vervolg.
Jan is ook zo’n doorgewinterde zoeker. Altijd op pad en vinder van hele mooie artefacten. Het moet wel een beetje in stijl, regenpak en een bloemetjes tasje voor de vondsten. Van verre is Jan van Buuren te herkennen. Ik schiet altijd in de lach als ik zijn uitrusting zie.
Wat een spreker is die man!
Ik was onlangs aanwezig bij een lezing van de Drents Prehistorische Vereniging. De spreker van dienst was Luc Amkreutz.
Hij nam ons mee op een reis door de Bronstijd van Europa. Aanleiding was de tentoonstelling die het Rijksmuseum voor Oudheden organiseerde over dit onderwerp. Topvondsten uit heel Europa waren in dat museum bijeengebracht. De mooiste en meest bijzondere voorwerpen zijn voor het eerst bijeengebracht. Een tentoonstelling die meerdere bezoeken waard is.
Luc is een geweldige spreker, iemand die van begin tot eind weet te boeien. Bovendien is hij iemand met een grote kennis van het onderwerp.
Ik heb mij die avond zeer vermaakt, geboeid geluisterd en veel geleerd!
Gidsartefact: schrabber voor rendieren
Hij(?) waait uit. Niet één van uw kinderen die het huis uit gaat, niet u die een frisse neus haalt. Nee, een
stukje steen!
Een schrabber om precies te zijn, eentje die bedoeld is om de huiden van een rendier te ontdoen van de laatste vetresten.
De afgebeelde schrabber is een gids in de tijd, toegeschreven aan de Federmesser traditie (cultuur). Grofweg te dateren tussen 11.600 en 10.700 voor Chr. . Een periode die gekenmerkt wordt door een koudere fase, waardoor ons land voor rendieren aantrekkelijk was. De bewoners van het land gebruikten echt alles van het dier. Hun hele levenswijze was erop aangepast. Dat zien we terug in hun werktuigen.
Marcel Niekus (e.a.) schrijft in het boek Vuursteen Verzameld (pp. 107) het volgende: Schrabbers (van de Federmesser- ATB) zijn vooral gebruikt op (voornamelijk) droge huid, minder voor het schrapen van bot of gewei en houtbewerking. Het afgeknotte deel van artefacten blijkt nooit te zijn gebruikt, maar de onbewerkte randen vertoonden sporen van slacht, snijden van droge huid en het zagen van bot of gewei. De afknotting heeft mogelijk de gerieflijkheid van het gebruik bevorderd.
Jaap Beuker schrijft in zijn veel geprezen boek “Vuurstenen werktuigen, techniek op het scherpst van de snede”, pp. 159: De schrabbers (van de Federmesser) zijn doorgaans kort en gemaakt op klingen of speciaal daarvoor vervaardigde afslagen. Ze zijn soms erg massief gevormd en meestal voorzien van een waaiervormige kop die asymmetrisch t.o.v. de lengteas ligt…… Door de dikte van de schrabbers zijn de koppen hoog opgeretoucheerd.
Opvallend is dat de waaiers van de schrabbers meestal naar rechts aflopen. Misschien heeft dat wel te maken met het feit dat de maker ervan rechtshandig is. Wie zal het zeggen?
Schrijven erover is leuk, maar wat een opwinding veroorzaakt het vinden van het afgebeelde artefact! Heerlijk, de dag kan niet meer stuk!!
Nieuws februari 2025
Verdomme Kees
Twee weken geleden kreeg ik een tekstberichtje van Kees. Verschrikkelijk nieuws! Praten ging moeilijk en zijn conditie liet ook zeer te wensen over. Vol goede moed begon mijn maatje aan de chemo, helaas traden er direct complicaties op die het lichaam van Kees niet meer aankon.
Daardoor kwam er een eind aan de jarenlange vriendschap.
Kees straalde altijd een enorme rust uit, relativeerde, zocht oplossingen. Was een beminnelijke man, als je met hem kennismaakte mocht je hem gelijk. Kees was een intelligente man, bezat een enorme algemene kennis en had super veel interesse. We vonden elkaar op het gebied van schaken en geschiedenis. We ondernamen veel tripjes samen, leest u bijvoorbeeld onze bezoeken aan de Emsland concentratiekampen eerder in dit (ouder)nieuws. In Turkije beleefden we ongelooflijke avonturen op en rondom de Nemrud.
Ik luisterde vandaag naar het lied van Frans Halsema met de gelijknamige titel als van dit stukje, de tranen biggelden me over de wangen. Mijn gedachten gaan uit naar de familie van Kees, ik wens ze alle sterkte toe in verwerken van het verlies van de veel te vroeg overleden vriend van me.
Kees, jongen, ik zal je nooit vergeten. Ik mis je nu al!!
De Verteller van het Oude zal je verhalen levend houden, in het hiernamaals zullen ze van je smullen!
Op stap met ……. DPV
Voor de vijfde keer organiseerden Jan van Buuren en de Verteller van het Oude een zoektocht voor
geïnteresseerden van de Drents Prehistorische Vereniging. De speurtocht naar artefacten van onze voorouders was nadrukkelijk niet bedoeld voor “steentjeszoekers” die op dat gebied al veel ervaring hebben. Nee, speciaal voor mensen die ook eens een keer de zoek(werk)wijze van amateurarcheologen wilden ervaren. Onze groepsgrootte bedraagt maximaal tien personen. Ten eerste omdat we anders de vele vragen op het veld niet snel kunnen beantwoorden en ten tweede omdat het zoekgebied relatief groot moet zijn. Immers waar je anders in je eentje overheen loopt en er uren over doet, speur je nu met een grote groep snel een behoorlijk oppervlakte af.
Dit jaar troffen we het. De groep was uiterst gemotiveerd en spontaan. Het winterse weer van de afgelopen week had plaats gemaakt voor een behaaglijk temperatuurtje met af en toe een regenbui. Kortom ideaal weer voor een zoektocht.
De deelnemers waren fanatieke speurders, met de neuzen bijna op de grond werden de meest kleine artefacten opgeraapt. Aanvankelijk werden er vele vragen gesteld, naarmate de tijd verstreek reduceerden deze. Het onderscheid tussen natuurlijk en bewerkt werd steeds duidelijker. Na 2½ uur heb ik een eind gemaakt aan de zoektocht, als het aan sommigen had gelegen waren we nog naar een andere vindplaats gegaan.
De begrenzing van mijn vindplaats werd een stuk duidelijker, de gevonden artefacten (156) lieten geen verrassend beeld zien. Opvallend was het grote aantal schrabbers (12!) dat de “cursisten” opraapten.
De na afloop verorberde pannenkoek vulde onze magen met tevredenheid. Een super geslaagde dag. Volgend jaar maar weer.
Prehistorische schoonmaak
De jaarlijkse schoonmaakbeurt zit er weer op. Na een aantal maanden van stilstand is mijn vuursteenwerkplaats weer geschikt om in gebruik te worden genomen. Helaas mag ik in het bos waar ik woon geen vuur -ook niet in een korf- stoken, anders was ik zeker in de winter doorgegaan zijn met het bewerken van vuursteen. Als de krokkusjes de grond uit spruiten, dan is het tijd voor het verwijderen van de bladeren en de eerste slagen op het “metaal” uit de oudheid los te laten. Volgende week ga ik los. Iemand die mee wil slaan is van harte welkom, stuur even een mailtje!
Een overweldigend boek
Tussen 2005 en 2017 heeft BAAC-Vlaanderen een enorm archeologisch onderzoek uitgevoerd nabij Beveren. Op een enorm terrein werden enkele honderden prehistorische vindplaatsen ontdekt. Voor het grootste deel Mesolithisch, maar ook een deel stammend uit het Neolithicum, Paleolithicum. Honderdzestig daarvan werden minutieus opgegraven, al verdiepend werden de uitgezette vakjes (50cm x 50 cm) verdiepend geschaafd en gezeefd. Het leverde een schat aan informatie op.
In het boek “Jager-verzamelaars en boeren onder het veen” vindt u een uiterst leesbaar verslag van de opgraving. Van planning tot aan de resultaten.
Het boek telt bijna 700 pagina’s en is voorzien van vele foto’s en tabellen. Dank zij de vele subsidies kost het niet meer dan €25,-. Maar wat mij het meeste trof was de schaal van de opgraving. Archeologie en economische belangen kunnen blijkbaar toch hand in hand gaan. Daar kunnen we in Nederland nog wat van leren
Knock, knock. Who is there??
Ik heb ze in alle soorten en maten. Een enkele rondom gebutst met zware patina op de niet gebruikte zijden, een andere slechts licht beschadigd alsof ze de eigenaar niet beviel. Allemaal hebben de klopstenen hun eigen verhaal. Allen hebben dezelfde overeenkomst. Gebutst zijn ze achtergelaten nadat ze het beoogde doel bereikt hadden. Uit eigen ervaring als steenbewerker weet ik dat je soms een voorkeur voor een bepaalde klopsteen hebt. Het formaat ligt je goed en stevig in de hand en ze functioneert meer dan normaal. Een exemplaar van kwartsitisch zandsteen heeft mijn voorkeur, ze is net iets minder hard dan kwartsiet (6 om 7 op de hardheid schaal). Ze geeft iets mee als je er de hardere vuursteen ermee bewerkt.
Mijn “lievelings exemplaar” is rond en helemaal gebutst. Daar waar ik haar vasthoud is ze zwaar gepolijst -een kenmerk dat we ook op vele prehistorische kloppers aantreffen-. Huidvet is er de oorzaak van of mogelijkerwijs werd het gereedschap vast gehouden in een stukje leer waardoor de polijsting ontstond. Mijn favoriet weegt 343 gram met een doorsnede van 7,5 centimeter. Moet ik van een groot blok een dikker stuk vuursteen afhalen, dan neem ik een veel zwaardere steen. Kwestie van goed en op het juiste punt raken, door het gewicht van de klopsteen hoef ik niet eens hard te slaan.
In het mesolithicum zullen de klopstenen aanmerkelijk kleiner zijn geweest.
Immers de te bewerken kernen zijn niet zo groot. In mijn verzameling heb ik een paar pracht exemplaren.
Gemiddelde doorsnede 4,5 centimeter met een gewicht van ongeveer 150 gram. In het Neolithicum zijn grote blokken vuursteen beschikbaar, vaak afkomstig uit de mijnbouw -o.a. Rijckholt in Limburg- of uit de krijtlagen aan de kust van bijvoorbeeld Noord-Duitsland en Denemarken. Uit deze periode heb ik diverse grotere klopstenen verzameld. Ze zijn ongeveer 11 centimeter in doorsnede en wegen rondom de 750 gram.
Maar hoe we ook proberen de klopstenen te classificeren, de grootte en daarmee de zwaarte is afhankelijk van wat de benutter van de stenen ermee voor doel heeft. Ik bijvoorbeeld gebruik en kleinere klopsteen als er slechts flinters van de overgebleven vuursteen afgehaald moet worden. Het doel bepaalt de grootte van de klopsteen!
De zich in mijn verzameling bevindende klopstenen zijn uitgeklopt, evenals hun benutters!!
Old school archaeology
Binnenkort ga ik opgraven met een aantal onbezoldigde archeologen – moderne omschrijving voor hen
die in hun vrije tijd zoeken naar artefacten- ! Een vast clubje mensen die vaker met dit bijltje hebben mogen hakken. Helaas rijken onze financiële middelen niet zover dat we een total station van ettelijke tienduizenden euro’s kunnen aanschaffen. Daarom maar terug naar de tijd van vroeger, iets minder nauwkeurig, iets meer bewerkelijk. De oude baak en landmeterapparatuur!
Maar ook dat is niet eenvoudig, de meeste archeologische bureaus hebben ze weggedaan, tegenwoordig gaat het inmeten immers via satelliet technologie. Gelukkig bracht Janneke Hielkema van RAAP uitkomst.
Als het weer het toelaat kunnen we volgende week beginnen. Ik kan niet wachten!!
Berkenteer
Op de eerder gememoreerde steentijddag kwam ik Willy tegen. Een aantal jaren geleden ontdekte ze een Neanderthaler artefact met berkenteer op het strand aan de Noordzee. Wie schetste mijn verbazing dat ik een half uurtje later een foto van mijn zoekmaat Geert te zien kreeg met daarop -na mijn bescheiden mening- ook berkenteer. Het betreft hier een schrabber uit het Neolithicum. Ze meet ongeveer twee bij twee centimeter. Op de foto’s is duidelijk te zien dat het berkenteer over een afslag heen ligt. Bovendien is er allerlei “vervuiling” in te zien. Onder andere houtskool restjes. Nu weet ik wel dat je niet moet afgaan op een foto alleen, maar Geert is een doorgewinterde “niet benoemde” expert. Op zijn mening vertrouw ik volledig.
Hij heeft bij diverse deskundigen zijn vondst aangeboden. Tot op heden heeft dat niets opgeleverd. Helaas, want het is toch een belangwekkende vondst.
Deze keer is de vindplaats geen geheim. Geert woont op een Trechterbeker site. Tijdens werkzaamheden aan zijn boerderij kwam het artefact tevoorschijn. De Verteller van het Oude is jaloers!
35e Steentijddag
Opgetogen vertrok ik met vijf zoekmaten naar de jaarlijks terugkerende Steentijddag in Leiden. Dit uitje behoort al vele jaren tot een van de hoogtepunten van het archeologisch jaar. Inmiddels heb ik in heel het land bekenden zitten, sommigen schrijven op mijn website, anderen ken ik weer van het vuursteen bewerken of het gezamenlijk deelnemen aan opgravingen. Een weerzien met oude vrienden en het ophalen van “sterke” verhalen.
De organisatie zorgt elk jaar voor een aansprekend aanbod van sprekers die de toehoorders in de collegezaal van de Universiteit van Leiden trakteren op een onderwerp uit de steentijd. Deze keer hadden ze weer een gevarieerd programma samengesteld.
Helaas, helaas. Een goed verhaal alleen is niet goed genoeg. Bij vier lezingen verloor ik mijn aandacht.
De sprekers konden het niet overbrengen, spraken zeer zacht en binnensmonds. Eentonig en onzeker. Nu geef ik toe dat spreken voor een collegezaal met 250 kritische steentijdgasten ook best wel een beetje intimiderend kan zijn, maar lees je verhaal niet voor van papier. Let op je presentatie. Bij voorbaat je excuus maken omdat je nerveus bent, is een brevet van onvermogen.
Gelukkig maakten de laatste drie sprekers en mijn gezelschap een hoop goed. O, en niet te vergeten de Chinees!
Megalieten “jager”
Ik had het niet voor mogelijk gehouden nog eens iemand te ontmoeten die zeker twee keer fanatieker is dan uw schrijver. Maar toch heb ik zo’n persoon ontmoet.
Tijdens een lezing van de Drents Prehistorische Vereniging (DPV) maakte ik kennis met Willem Donker. Net als ik was hij al van jongs af aan gegrepen door de hunebedden. Daar waar mijn interesse zich vooral beperkte tot Drenthe en incidenteel een buitenlandse Megaliet, ging Willems belangstelling verder. Systematisch bezocht hij ook de Duitse en Poolse megaliet graven. Nauwkeurig hun positie bepalend, hun indeling vastleggend en ze vereeuwigen op foto’s, trok hij door die landen. Ruim 2000 trechterbeker graven bezocht hij zo. Zijn nieuwste project is het vastleggen van alle megalieten in Denenmarken. Een immense klus welke nog nooit door iemand -zelfs geen Deense archeoloog- gedaan is. Inmiddels heeft hij één vijfde vereerd met een bezoek.
Afgezien van de boeiende lezing over zijn zelf opgelegde taak, trof mij zijn doorzettingsvermogen het meest.
Respect!!
Nieuws januari 2025
Misdaad nieuws uit Assen
Het zal je maar gebeuren. Vreselijk, Roemeens erfgoed door een stelletje bandieten geroofd uit het Drens
Museum. Geen woorden op deze pagina kunnen mijn afschuw voor de daad beschrijven.
Met grof geweld zijn ze langs -blijkbaar- de minst beveiligde ingang binnen gekomen en namen de gouden helm van Cotofenesti en drie armbanden mee. Qua goudwaarde niet eens zoveel waard, ook vanwege het feit dat de opbrengst met minimaal drie personen gedeeld moet worden. Alsof de “Nachtwacht” gestolen is, luidt een veelgemaakte vergelijking tussen Roemenië en Nederland.
Ondertussen is de directeur van het Roemeens museum die de uitleen goedgekeurd heeft ontslagen en heeft het Drents Museum een proces aan de broek. Laten we even ophouden met deze onzin, maar blijkbaar wil men direct een zondebok hebben. Vergeet niet wie de echte boeven zijn. Laten we ons daar op concentreren. De Verteller van het Oude hoopt van ganser harte dat de boosdoeners snel gevonden worden en dat de gouden helm van Cotofenesti nog in onberispelde staat is.
Netwerkdag Archeologie
De netwerkdag Archeologie wordt met enige regelmaat georganiseerd door het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) en de gemeente Groningen in samenwerking met de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Dit jaar in het provinciehuis te Assen.
Opgetogen reed de Verteller van het Oude er ’s ochtends naar toe. Een dag vol lezingen -helaas weinig over de steentijd van Nederland- en ontmoeten van oude vrienden en bekenden. Vooral om dit laatste ging het me, sommige personen had ik al jaren niet meer gezien. Lekker anekdotes en herinneringen ophalen en plannen maken voor projecten in de toekomst. Een dag naar mijn hart.
Waterloo
Het vroor vijf graden, ik stond te rillen in de ijzige wind. Onbewust gingen mijn gedachten 213 jaar terug in de tijd. De terugtocht van Napoleon uit het brandende Moskou, de oversteek van de Berezina, de lijdensweg van de soldaten. Vergeleken met hen was ik maar een watje, daar onder het monument van Waterloo.
De veel te vroeg overleden Napoleon adept Martin Bril vond het maar een monsterlijk gedenkteken La Butte de Lion, de heuvel van de leeuw. Maar ik vond de 45 meter hoge piramidevormige, met gras begroeide, heuvel, indrukwekkend. Vooral de bronzen leeuw, kijkend naar het Zuidoosten is majestueus.
Koning Willem I gaf opdracht tot de bouw van het monument ter nagedachtenis aan de overwinning op Napoleon in 1815, toentertijd stond ze op het grondgebied van de Nederlanden. De plaats van het monument is mede gebaseerd op waar prins Willem (de later koning Willem II) verwond werd.
Een van de overwinnaars, de Duke of Wellington vond het maar niks. Volgens hem werd het slagveld er door verknoeid. Deze zelfingenomen Brit had waarschijnlijk het liefst gezien dat het een standbeeld ter ere van hem zou zijn in plaats van een monument voor de vrede.
vergis u niet! Tweehonderdzesentwintig treden omhoog, maar dan heeft u een prachtig uitzicht over het niet al te zeer aangetaste slagveld. Overzichtelijk, want de 150.000 soldaten met paarden en kanonnen bevochten elkaar op een gebied van slechts anderhalve kilometer bij een kilometer!! Een waar massacre op de vierkante meter.
Het nieuwe museum -ondergronds om de site niet te veel te verstoren- en het geschilderde panorama van de slag zijn een bezoek waard.
En Napoleon, hij zou in zijn graf hebben gebulderd van het lachen over een voorval in 1831. Franse troepen die de Belgen kwamen helpen in hun onafhankelijkheidsoorlog, draaiden de leeuw om, zodat deze naar Nederland stond te kijken en niet naar Frankrijk. Daarbij brak de staart van de leeuw af. Toch niet zo krachtig als de Le petit Corporel!
Archeon, the place to be!
Het gebeurt ons niet elke dag dat we les mogen geven aan studenten, archeologie liefhebbers nog wel te
verstaan.
Samen met Ernest en Josée Mols vormen wij “ArcheoFlint“, meesters in het bewerken van vuursteen. Regelmatig verzorgen wij cursussen of laten wij op andere wijzen mensen kennismaken met de deskundigheid van onze voorouders, het vuursteen bewerken. De Saxion 1e jaars studenten, om hen ging het, maakten voor het eerst hiermee kennis. Het mesolithisch kampement -met een paar moderne aanpassingen- in het Archeon te Alphen aan den Rijn vormde het rustieke decor.
Zestig gemotiveerde studenten! Leuke resultaten en een paar natuurtalenten!!
Morgen nog zo’n club. Ik heb er alweer zin in!
Spectaculair nieuws, een nieuwe Midden-Paleolithische vindplaats!!
Beter wordt het nieuws van de Verteller van het Oude dit jaar waarschijnlijk niet! Samen met zoekmaatje Jan van Rijn heb ik een aantal jaren geleden een nieuw MP-vindplaats ontdekt. Dat onze voorouder (laatste fase) er een tijdje verbleven heeft, laat het aantal vondsten wel zien. Klik hier voor het verhaal van de ontdekking en wat we van plan zijn. Immers, deskundigheid wordt ingeschakeld!
Wil je meehelpen?
Weer op stap
Binnenkort ga ik mijn archeologische zoektocht door Europa weer hervatten. Maar eerst nog wat nieuws uit eigen land.
trefwoord: nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws, nieuws,

